Skip to content
Artwork for Geruis Uit De Kluis
Religion & SpiritualityChristianitySociety & CulturePhilosophy

Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie).

www.paterhugo.nl
Play
  • 21 episodes
  • Avg 17 min
  • Dutch
Counted on this page — what you have heard stays on this device, so it is not something the list can be paged by.
  • Sunday · 14 min

    Geroepen tot zelfgave

    De lezingen waarover de preek gaat: De profeet Jeremia bad als volgt: Heer, Gij hebt mij verleid, ik ben bezweken, Gij waart mij te sterk. Ik kan niet tegen U op. De hele dag lacht men mij uit, iedereen drijft de spot met mij.Telkens als ik het woord neem, moet ik schreeuwen en 'geweld en onderdrukking' roepen. Het woord van de Heer brengt mij iedere dag schande en smaad.Soms denk ik: Ik wil er niets meer van weten, ik spreek niet meer in zijn naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden maar dat lukt me niet. (Jer. 20, 7-9.) Broeders en zusters, ik smeek u bij Gods erbarming: wijdt uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden. Dat is de geestelijke eredienst die u past.Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt. (Rom. 12, 1-2.) In die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan; dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hoge­priesters en de schriftge­leerden, maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn op de derde dag zou verrijzen.Toen nam Petrus Jezus ter zijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden: 'Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!'Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus: ' Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegin­gen en niet door wat God wil.'En daarna tot zijn leerlingen: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden.Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven? Of wat zal een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijk­heid van zijn Vader, vergezeld van zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden. (Mt. 16, 21-27.) This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • August 22 · 29 min

    Emoties zijn achterlijk

    Alle emoties zijn dom, behalve boos zijn, en elke vorm van genuanceerd denken is slap en ontwijkend geleuter. Dat zou je in ieder geval gaan denken als je op het katholieke internet komt. Daar zijn sinds kort de puistige puberjongetjes de baas. Dus moet plotseling alles stoer zijn. En vooral ook heel duidelijk. Dat de oude garde van beroepskatholieken daar moord en brand over schreeuwt is niet zo raar. Het is namelijk echt even wennen, want de wind stond tot voor kort precies de andere kant op. Het klimaat was er uitgesproken vrouwelijk, om het incorrecte woord verwijfd maar even niet te gebruiken, al ligt dat me in deze context wel echt vóór op de tong. ‘Hoe kan je dat nou zeggen, pater!’ roepen de mensen die nooit in een kerk komen nu onmiddellijk. ‘De katholieke Kerk is toch altijd al overdreven patriarchaal en door mannelijke waarden gedomineerd? En vrouwen kunnen toch helemaal geen priester worden en de priesters zijn toch de baas in de Kerk?’ Heel vroeger was dat inderdaad wel zo, maar de werkelijkheid zag er de laatste zestig jaar of zo heel anders uit, zeker in noordwest Europa. Tot voor kort gingen mannen, als ze het even konden vermijden, zelfs liever helemaal niet meer naar de Kerk. Ze kwamen eigenlijk alleen nog als ze werden gedwongen door hun vrouw. Dat kon ze ook moeilijk kwalijk worden genomen. Wat er in de gemiddelde parochiekerk werd opgevoerd stond meestal stijf van de kinderliedjes, de sentimentele gedichtjes en een soort theatrale solidariteit met alles wat zielig was die meestal, eenmaal weer buiten, vooral heel vluchtig bleek te zijn. Hoe dan ook draaide alles om gevoel. Het geloofsonderricht ging niet meer om God en om Jezus, maar om jouw ervaring. ‘Hoe beleef jij dat?’ werd er de hele tijd gevraagd. En ‘Zo voel ik dat nou eenmaal’ was het einde van elke discussie. Je gevoel was de meest uiteindelijke maatstaf van alles. Die wereld is nu in de mist van de tijden verdwenen. Misschien dat hij nog een beetje na-ebt in een enkele afgelegen dorpsparochie, maar ook daar zal het nu wel snel over zijn. Die dingen gaan sneller dan vroeger, door het internet. En het katholieke internet - ik zei het al - zit vol jonge mannetjes. En die hoeven het even niet zo nodig over hun gevoelens te hebben. Weg met de weke therapietaal waarin alles gevoeld en gedeeld en verwerkt moet worden en waarin elk ongemakje een trauma is en elk smaakje een identiteit. Weg met die s**t! Weerbaarheid gaat het om! Discipline, koude douches, op je tanden bijten. Sportschool, gezond eten, doorzetten, op eigen kracht de broek ophouden. Je merkt wel dat de stoïcijnse filosofen in de mode zijn. De filosoof-keizer Marcus Aurelius en Seneca, de opvoeder van de slechte keizer Nero, die hem uiteindelijk vermoordde. Spannende levens, stoere filosofie. En de traditie van de Kerk geeft ze gelijk, toch? De kerkvaders hadden immers ook al niet veel met gevoelens. Dat zijn oprispingen uit het lagere deel van je ziel, bewegingen van je drift en je begeerte, je dierlijke krachten. Het zijn precies je gevoelens die door de demonen worden opgepord om op hol te slaan en je weg van God te sleuren, toch? Daarom moeten ze getemd worden door het intellect. Je gedachten moeten de baas zijn over je emoties. Als je dit soort dingen hoort komen die uiteindelijk van de woestijnvaders. Dat waren de eerste christelijke monniken, die vanaf de derde eeuw leefden in de Egyptische woestijn, bij Alexandrië. Ze waren enorm strijdbare figuren. Ze wilden God zoeken en zich bewijzen tegen de machten van het kwaad. Toen de christenvervolgingen voorbij waren en ze dus niet meer als martelaar konden sterven trokken ze de woestijn in. Daar konden ze in gevecht tegen de demonen en de afgodische geesten van de oude Egyptenaren, en zo alsnog een soort martelaren worden. Ze konden over het algemeen niet lezen en schrijven, en hadden ook niet echt de filosofische bagage om hun eigen ervaringen te kunnen duiden. Ze waren praktische mannetjes, bouwvakkertjes van de ziel, met strenge eenzaamheid en vasten als gereedschap. Ze hongerden de duivel letterlijk uit hun binnenste weg. Nou zouden we geen flauw benul hebben gehad van hun innerlijke wereld als er niet een zekere Evagrius was geweest. Dat was wel een heel onwaarschijnlijk figuur om woestijnkluizenaar te worden. Hij was juist een verwend mannetje dat aan het keizerlijke hof in Constantinopel allerlei deftige baantjes had. Hij was een decadent figuur en kroop bij zoveel mogelijk chique vrouwen in bed. Op een gegeven moment ging dat verkeerd, omdat chique vrouwen nogal eens machtige echtgenoten hebben, die het niet lollig vinden als ze niet zeker weten of hun kinderen wel echt van hen zijn. Evagrius moest dus vluchten en bekeerde zich zowaar tot een vroom leven bij de monniken. Eerst in Palestina, maar dat was een valse start. Na een paar maanden zat hij toch weer in het uitgaansleven van Jeruzalem en met zijn tengels overal waar ze niet hoorden. Hij besloot het dan maar drastisch aan te pakken en trok naar de hardcore kluizenaars, diep in de Egyptische woestijn. Met al zijn intellectuele bagage. Daarmee kon hij wat hij van de woestijnvaders te horen kreeg op zo’n manier opschrijven dat het ook voor buitenstaanders begrijpelijk werd. En hij deed dat aan de hand van de psychologie van Plato. Zo werd diens intellectuele raamwerk de kapstok voor de zo praktische ervaringswijsheid van de woestijnvaders. Plato onderscheidt in de ziel drie krachten of vermogens. Hij beschrijft die als een wagen met een menner en twee paarden ervoor, een wit paard en een zwart paard. Er zijn twee lagere vermogens, de drift - vaak toorn genoemd - en de begeerte. De toorn of drift is het witte paard. Het is zoiets als je levensenergie, je motivatie, je krachtbron. Je dommekracht. Je uithoudingsvermogen ook, trouwens. Het is redelijk braaf, zegt Plato. Het zwarte paard is je begeerte. Dat is de kracht die God je heeft gegeven om je te richten op de dingen die je nodig hebt om je lichaam en je soort in stand te houden. Het zet je aan op zoek te gaan naar voedsel, water, kleren, voortplanting, warmte, enzovoort, enzoverder. Het is wat opstandiger dan het witte paard, wat gevoeliger voor ontsporingen. Je hebt ook een hoger vermogen. Dat is de wagenmenner. We noemen het het intellect. Dat is niet zomaar een rationeel rekenmachientje, maar je eigenlijke, diepe zelf. Dat wat wij tegenwoordig bedoelen als wij het woord ‘ziel’ gebruiken. Je beide lagere vermogens, drift en begeerte, zijn op zichzelf neutraal, niet goed of slecht. Maar ze zijn ook primitief. En ze slaan makkelijk op hol. Dat maakt ze kwetsbaar voor de duivels en de demonen, die jou van God willen vervreemden. Ze willen dat jij in plaats van God de geschapen dingen aanbidt. Vreten, neuken, zuipen. Je overgeeft aan je meest primitieve zelf. Dus kietelen ze je begeerte met ideeën over blote borsten of knapperig gegrilde kippenpoten. In de woestijn is het niet moeilijk om mensen gek te krijgen met dat soort dingen. Die zijn immers verstoken van alles. Evagrius beschreef op basis van de ervaringen van de woestijnvaders acht specifieke dingen waarmee de duivels de monniken in de val probeerden te lokken. Die noemde hij de logismoi, de acht gedachten. Het gaat om vraatzucht, geilheid, hebberigheid, depressie, woede, geestelijke lamlendigheid, ijdelheid en hoogmoed. Paus Gregorius de Grote destilleerde er later de zeven hoofdzonden uit. Ik heb daar al uitgebreid filmpjes over gemaakt, ik zet daar links naartoe in de beschrijving. Om zich tegen die acht gedachten te wapenen ontwikkelden de woestijnvaders verschillende technieken. De belangrijkste was wel het rücksichtslos delen van al je gedachten met je geestelijke vader. Dat dwong je daardoor tegelijk ook om een heel verfijnde zelfobservatie te ontwikkelen. Zo kwamen de woestijnvaders tot een effectieve manier van wat wij tegenwoordig schaduwwerk zouden noemen: je eigen duisternis kennen, je beest in de bek kijken. Het doel daarbij was om de toestand van de passieloosheid te bereiken, de apatheia. Dat klinkt veel versbekeerde katholieke jonge mannetjes als muziek in de oren. Lekker stoer. Geen emo-gesnotter meer, alleen nog gezond verstand. Maar er wordt met die passieloosheid iets anders bedoeld dan zij in eerste instantie denken. Apatheia is geen koude onverschilligheid of een ijzeren controle zonder meer. Apatheia is ook geen eindpunt. Ze is ruimte die vrijgemaakt is voor God. Ze is bedoeld om moeder van jouw godsontmoeting te worden. Een hemel voor God om in te tronen, in het hart van jouw innigste zelf. De woestijnvaders streefden er niet naar om mannen van steen te worden. Ze wilden hun emoties niet vernietigen, maar ordenen. Vrijwel alle acht gedachten hebben ook een tegenovergestelde goede variant, die evengoed nog steeds emotioneel is. Het verschil is dat die zich laat leiden door het intellect. Niet door waar je zin in hebt, maar door wat je ten diepste wil. Om maar eens een paar voorbeelden te noemen: tegenover de hebzucht is er de ruimhartigheid die ervan geniet je naaste gelukkig te maken met wat je bezit. Tegenover de geestelijke lamlendigheid is er de dankbaarheid bij elk moment dat je even wordt aangeraakt door de aanwezigheid van God. Tegenover de duivelse depressie is er de gave van tranen, het kunnen huilen om je zonden. Dat is een typisch woestijnvadersidee. Die tranen komen uit een fundamenteel besef van je eigen duisternis en kleinheid die je tegelijk helemaal over laten lopen van dankbaarheid voor de genade van God. Allemaal zaken die heel positief zijn, maar wel ook emotioneel. Het gaat er dus inderdaad niet om je emoties te vermoorden, maar ze door de geest te laten zuiveren. De heilige Augustinus dacht er ongeveer hetzelfde over. Hij was bisschop in het huidige Tunesië, dat toen nog christelijk was, en misschien wel de invloedrijkste kerkvader ooit, in ieder geval bij ons in het westen. Als er iemand ooit wereldkampioen zelfreflectie had kunnen worden zou hij het wel geweest zijn. Hij was een navelstaarder op kerosine. Maar wel een verdienstelijke. Door al zijn gepieker en zijn naar binnen gekoekeloer viel hem op een gegeven moment op dat de menselijke ziel inderdaad geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis, zoals het boek Genesis zegt, aan het begin van de Bijbel. En wel niet alleen naar zijn éénheid, maar ook naar zijn Drievuldigheid. Dan denk je natuurlijk: daar bedoelt hij natuurlijk die wagenmenner van Plato mee, met zijn twee paarden. Maar Augustinus telde de paarden, de lagere vermogens van de ziel, helemaal niet mee. Hij ontwaarde in het hogere vermogen van het intellect - de wagenmenner van de ziel - ook weer drie krachten. Het geheugen, dat lijkt op God de Vader. Het verstand, dat lijkt op God de Zoon. En de wil, die lijkt op God de heilige Geest. Nou is het zo dat God voortdurend zijn eigen Drievuldigheid voortbrengt. Vanuit het ene wezen zelf - dat is de Vader - komt de Zoon voort. Beiden houden zoveel van elkaar dat hun liefde ook zelf weer een goddelijke Persoon wordt: de Heilige Geest. Die vouwt God dan weer samen in zijn eenheid. Net zo komt uit de grond van de mens zijn verstand voort, en uit beide dan weer zijn wil. En die doet in de mens wat de Heilige Geest in God doet: hij verenigt, brengt harmonie. Wie een sterke wil heeft is niet wispelturig. Die is betrouwbaar en consequent. Je weet wat je aan zo iemand hebt. Die is geen slaaf van zijn emoties en laat zich niet van de wijs brengen door gepieker. Als die wil ook nog eens van harte goed wil zijn wil is hij niks anders dan de liefde zelf. De liefde die van harte wil dat de ander leeft en gedijt en die zich met die ander wil verenigen. Volgens Augustinus is het die goede wil, de liefde van de mens, die de sleutel is tot het goed beleven van je emoties. Hij was enorm belezen en kende het werk van de stoïcijnen, die de emoties grotendeels wilden uitschakelen, heel goed. Geen begeerte meer, geen blijdschap, geen vrees of verdriet. Maar hij was het niet met ze eens. Christus zelf had immers ook gehuild, bij het graf van zijn vriend Lazarus. En was Hij niet doodsbang geworden in de nacht voor zijn kruisiging, toen Hij bad in de hof van Gethsémané? En was Hij niet razend toen Hij de geldwisselaars de tempel uitsloeg Als volkomen emotieloosheid het doel zou zijn geweest zou dus ook de menswording van Jezus Christus een mislukking zijn geweest. En zo kan het natuurlijk niet zijn. Wie al zijn emoties in zichzelf dood maakt lijkt niet meer op Christus. Is geen mens meer te noemen. ‘Pondus meum amor meus’ schrijft Augustinus ergens in zijn Belijdenissen. Mijn gewicht is mijn liefde. Daarmee bedoelt hij niet dat hij dol was op taartjes eten, maar dat de liefde van de mens een soort zwaartekracht is. Het leven van de mens beweegt zich in de richting van wat hij liefheeft. In feite zegt Augustinus met andere woorden wat Jezus zelf ook al had gezegd in het Evangelie: ‘Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.’ En die liefde is wel meer dan emotie of gevoel alleen, maar is ook geen puur rationele kracht. Het is heel de richting van je wezen. Stenen vallen naar beneden, vuur schiet omhoog en jouw ziel reikt naar waar haar liefde haar drijft. Een goed mens worden heeft daarom voor Augustinus niks te maken met het afknijpen van je emoties, maar van het verenigen, ordenen en richten ervan. De juiste dingen en mensen beminnen in de juiste mate. Daarbij maakt hij een onderscheid tussen genieten en gebruiken, frui en uti. Sommige dingen zijn er om te genieten, ze te beminnen omwille van zichzelf. Andere zijn maar hulpmiddelen. Die worden niet genoten, maar gebruikt. Dat lijkt allemaal logisch, maar is in de praktijk heel verraderlijk. Hoe vaak raken wij niet hartstochtelijk verliefd op bijkomstige of zelfs schadelijke dingen? Dient de sportschool jou, of dien jij de sportschool? En hoe zit dat met sociale media? En je vriendschappen, zijn die evenwichtig? En heb je lief of ben je verliefd? Twee heel verschillende dingen die je snel met elkaar kunt verwarren. Wat Augustinus vraagt is dan ook wel echt moeilijker dan het doden van je emoties. Het vergt veel meer geduld, en soms ook gewoon levenservaring en rijping. Maar het zal je op de langere termijn wel een gelukkiger mens maken, en dat andere zeker niet. En dan hebben we nog de heilige Thomas, de favoriete filosoof van alle puberjongetjes in de Kerk. Nog lekkerder duidelijk is het niet te krijgen. De grootste autist op de heiligenkalender: alles wordt geordend tot je er groen van uitslaat. En dat geldt natuurlijk ook voor de emoties, de passiones animae, zoals Thomas ze noemt. Hij wijdt er een enorm blok van de Summa Theologiæ aan, tientallen kwesties en honderden bladzijden. Dat geeft al wel aan dat hij er geen voorstander van is om ze maar simpelweg te onderdrukken. Hij onderscheidt elf van die passiones, in twee families aan de hand van de begeerte en de drift, zoals je al kon zien aankomen. Bij de begeerte horen liefde en haat, verlangen en afkeer, vreugde en verdriet. Bij de drift, het strijdbare deel van de ziel, deelt hij alles in wat moeilijk is en weerstand biedt. Wat met doorzettingsvermogen te maken heeft, of juist het ontbreken daarvan: hoop en wanhoop, angst en moed en uiteindelijk de woede. Dat is de enige emotie die geen tegenhanger heeft, volgens hem. In principe zijn de emoties voor Thomas neutraal. Ze zijn goed nog slecht. Ze zijn alleen geordend of ongeordend, en krijgen daardoor hun morele lading. Of ze goed of slecht uitpakken, dus. Ze zijn, op zichzelf, dus ook geen zonde. Als je boos bent hoef je dat op zichzelf nog niet te gaan biechten. Maar je moet je wel afvragen of datgene waarover je boos bent dat eigenlijk wel verdient. En de maat ervan is ook een dingetje. Als ik in mijn auto op een smal Groninger weggetje zit achter een opa en oma die twintig rijden kan ik het niet helpen dat er een ergernisje in mij opkomt. Maar als ik dan vervolgens ga bumperkleven, toeteren en ze levensgevaarlijk ga inhalen ben ik natuurlijk niet christelijk bezig. Laat staan als ik ze klem rij en ze alletwee overhoop sla. Om het verschil aan te geven neemt Thomas een beeld over van zijn favoriete filosoof, Aristoteles. Het verstand regeert niet over de emoties als een dictator, een despoot, maar als een wijze heerser over vrije burgers. Er is eerder kalmte en relativeringsvermogen mee gemoeid dan op je tanden bijten tot je wangkauwspier begint te scheuren. Als we van Sint Thomas naar de grootste theoloog aller tijden gaan, Jan van Ruusbroec, zien we die een passage uit het Lucasevangelie aanhalen: “Hi hadde compassie ende mede-liden met der weduwen ende met den volke buten der poerten van der stat, daer hi den ionghelinc verwecte van der doot.” Dat verhaal zegt alles over hoe juist je emoties je mens maken. Jezus komt in het stadje Nain en loopt tegen een begrafenisstoet op. Het gaat om een jonge jongen, ook nog eens het enigst kind van een vrouw die ook al haar man kwijt is en moederziel alleen achterblijft. Lucas schrijft dan: ‘De Heer zag haar, en werd innerlijk met ontferming over haar bewogen.’ Hij laat zich bewegen door de emotie die Hem overvalt, en die maakt dat Hij zich over haar wil ontfermen. Het werkwoord dat Lucas daarvoor gebruikt, esplanchnistè, komt van het woord voor ingewanden. Het grijpt Hem in de buik, het pakt Hem bij zijn ingewanden. Het woord wordt in het Nieuwe Testament alleen voor Jezus’ eigen emoties gebruikt, en verder alleen nog in drie verhalen die Jezus vertelt om moeilijke dingen uit te leggen. Hij gebruikt het voor wat de barmhartige Samaritaan voelt die een gewonde man van de weg haalt. Voor een koning die iemand zijn schulden kwijtscheldt en voor een vader die zijn weggelopen zoon van verre ziet terugkomen. Laten dat zou alle drie beelden zijn voor God zelf. Precies dat soort compassie, zegt Ruusbroec, is dus wat de mens op God laat lijken. En de mens dus meer mens maakt. In de Gheestelike Brulocht schrijft hij: “Want compassie es eene quetsure der herten die minne maect ghemeyne tot allen mensen, ende niet ghenesen en mach also langhe alse enighe doghet in den mensce levet.” Mededogen is dus volgens Ruusbroec een wond van het hart. Een wond die je niet mag laten genezen zolang er in enig mens nog lijden leeft. Het absolute tegendeel van onverschilligheid. De moderne internetstoïcijnen zeggen dat de empathie in jezelf moet doden, je hart moet verharden, je willens en wetens moet afstompen. Ruusbroec zegt precies het omgekeerde. Hij zegt dat je geen spoortje menselijkheid in je hebt als je hart niet is gewond door het lijden van je medemensen. Over wonden gesproken: Antonio Damasio, een neuroloog, deed eind vorige eeuw onderzoek naar mensen met een bepaalde beschadiging aan hun voorhersenen. Hun intelligentie was onveranderd. Er was ook niks aan de hand met hun geheugen, hun logica en hun taalvermogen. Alleen de emotionele kleuring van hun voorstellingen was weg. En daarmee, merkwaardig genoeg, ook hun vermogen om wat dan ook maar te kunnen kiezen. Ze bleven maar piekeren over de meest onnozele beslissingen. Op welke dag een afspraak te maken, bijvoorbeeld. Maandag of dinsdag. Pindakaas of Jam. Het was allemaal onmogelijk geworden. Het verstand alleen, zonder gevoel, is dus volkomen hulpeloos. Dat is niet alleen heel vroom, maar ook klinisch bewezen, zo blijkt. Wie het stoïcisme verkeerd begrijpt en het misbruikt om zijn gevoelens af te knijpen wordt daar uiteindelijk niet alleen ongelukkig van, maar ook gewoon blind. Ontdaan van zijn meest fundamentele oriënteringsvermogen. Want is er, zonder het kompas van de emoties, überhaupt wel een verschil tussen goed en kwaad, licht en donker, hemel en hel? Het verschil tussen geluk en ongeluk, genieten en lijden, beminnen en haten is geen rationele zaak. Voor wiskunde en formele logica maakt het niet uit of je pijn hebt of juist in extase bent. Als Ruusbroec het heeft over de hoogste vervulling van de mens gebruikt hij daar termen voor die de meeste mensen niet zien aankomen. Hij heeft het dan de hele tijd over ‘ghebruken.’ De goddelijke Personen van de Drievuldigheid ‘ghebruken’ elkaar en de mens en God ‘ghebruken elkaar.’ Dat klinkt krankzinnig. Het zet je op precies het verkeerde been, want ‘ghebruken’ betekent in het Middelnederlands geen ‘gebruiken’ maar ‘genieten.’ ‘Ten volle krijgen,’ je ‘helemaal overgeven,’ ‘helemaal opgaan’ in iets of iemand. Het is de vertaling van het Latijnse frui, dat we bij Augustinus al tegenkwamen. Het tegendeel ervan was uti, dat wél ‘gebruiken’ betekent. Ruusbroec zegt: ‘Men sal alle creatueren orboren, ende Gods ghebruyken.’ Het geschapene is er om te gebruiken. God is er om genoten te worden. Dus te beminnen. En in het verlengde daarvan geldt dat ook voor je medemensen. ‘Bemin God met hart en ziel en verstand en al je krachten,’ zegt Jezus, ‘en je naaste als jezelf.’ Geen wonder dat Ruusbroec, als hij het over het einde der tijden heeft, hoopt dat wij allemaal eens Jezus tegemoet zullen gaan en ‘hem ontmoeten in die sale der glorien ende sijns ghebruken zonder inde inder eewicheyt.’ En daar is geen woord stoïcijns bij. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • August 15 · 12 min

    Blauwdrukken van de Werkelijkheid I

    This is a free preview of a paid episode. To hear more, visit www.paterhugo.nl Of je nu Ruusbroec of Eckhart leest, Theresia of Sint Jan van het Kruis, telkens weer schemert er door en onder de woorden een stelsel van lijnen en punten. Noem het maar rustig een verwachtingspatroon, zoals je ook hebt als je naar klassieke muziek luistert. Het is niet expliciet, het ligt er niet bovenop, maar toch weet je vaak al snel hoe de volgende maat gaat verlopen en langs welke bocht de cadenzen naar hun verzadiging zullen stromen. Wie zich met mystieke teksten bezighoudt - en vooral als dat heel erg de breedte ingaat - herkent al snel een merkwaardige contour die op de achtergrond bijna altijd aanwezig is. Nog even kort voor wie hier nog niet zo lang meeleest en -luistert: met mystiek bedoelen we geen vage materie maar de concrete religieuze ervaringen van concrete mensen. Ooggetuigen van ontmoetingen met God. En wij verdiepen ons daar niet in omdat we gedreven worden door ongezonde nieuwsgierigheid naar de intimiteit van andere mensen. Wij proberen alleen een beter begrip te krijgen van ons eigen verlangen naar de vereniging met diezelfde God. Want die leeft per definitie in het innerlijk van elke mens. En die God is in vrijwel alle grote tradities niet zomaar een ‘god’ die deel uitmaakt van een grotere werkelijkheid die hem zou kunnen bevatten. Hij is in tegendeel de Absolute, de eerste Oorzaak en het Doel van alles wat bestaat. Een verhaal over een ontmoeting met die God wordt dan ook doorgaans al snel een verhaal over de meest uiteindelijke aard van alles. En zelfs als dat niet expliciet gebeurt, zit het besef van hoe alles met alles verbonden is en uiteindelijk in God samenkomt vaak alsnog vlak onder de oppervlakte van het verhaal verborgen. En logischerwijs dus ook dat alles op de één of andere manier de beeltenis van die God draagt, zijn handschrift, zijn karakter. Voor niks in heel de wereld geldt dat zo doordringend als voor de mens. Om het deftig te zeggen: nogal wat mystiek leert ons dat we in een fractale wereld leven waarvan God het eerste beginsel is. Logisch dat nogal wat mystici naar klassieke filosofische stelsels grijpen om hun godsontmoetingen te duiden. Daarbij maakt het nauwelijks uit of je met een christelijke, joodse of islamitische mysticus te maken hebt. Ze putten immers allemaal meer of minder rechtstreeks uit de filosofische erfenis van de oudheid. De filosofische stelsels die ze daarvoor uitkozen zijn doorgaans neoplatoons. Ze gaan dus terug op Plato, maar niet rechtstreeks. Ze ademen helemaal de geest van de laat-klassieke filosofen Porphyrius, Plotinus en Proclus. Die waren wel geïnspireerd door Plato, maar verwerkten diens stof op een heel eigen manier. Ze leefden zo rond de vierde en de vijfde eeuw na Christus. Ze brachten nogal graag de schematische ondergrond van de werkelijkheid in kaart met lijntjes en bolletjes, ik zei het al. Ze ontwaarden in de kosmos een soort energetische structuur. Al hun schetsen vertonen een patroon van het Absolute dat zich laat uitstromen in zich steeds verder uitsplitsende elementen. Ze beginnen dus op één ondeelbaar punt, dat als oorsprong van alles wordt gezien. Dat oorspronkelijke volmaakte Ene begint steevast over te stromen of van gedaante te veranderen. Zo ontstaan daaruit veelheden van werkelijkheden die dan uiteindelijk onze dagelijkse realiteit vormen, met al haar in stof uitgedrukte vormen, geuren en kleuren. De werkelijkheid van de geschapen, materiële wereld. En die is fractaal, zei ik al: De onderdelen van de realiteit vertonen in zich bij nadere beschouwing steeds weer hetzelfde tekeningetje van lijntjes en bolletjes. Alles is opgebouwd uit evenbeelden van het oerpatroon. Zoals onze ziel, bijvoorbeeld. Het kleine herhaalt steeds de structuur van het grote. Simpel samengevat komt het neoplatoonse beeld van de kosmos erop neer dat er in het begin een één en ondeelbaar Ene is. Het is niet persoonlijk en het heeft geen eigenschappen. Dat volgt uit het feit dat het één is. Om persoonlijk te zijn moet je je immers bewust zijn van jezelf. Jij die je van jezelf bewust bent zijn jij en jezelf, dus twee, niet één. En als je ook nog eens eigenschappen hebt ben jij er niet alleen met jezelf, maar ook nog met je eigenschappen. Je snapt de manier van denken, neem ik aan. Tegelijk kan dat Ene bij die neoplatonici niet anders dan overstromen en andere dingen voortbrengen uit zichzelf. ‘Emaneren,’ noemen ze dat. Het is geen scheppen uit vrije wil, het Ene is zich er niet eens van bewust, want het Ene heeft geen bewustzijn, zei ik al. Het wordt ook niet anders van al dat geëmaneer, trouwens. Het vermindert er niet door, wat er ook allemaal uitstroomt. Het is immers niks anders dan één. Dit hele proces werd vaak vergeleken met de zon, die hetzelfde blijft maar wel stralen uitzendt. Die vergelijking gaat trouwens mank, maar je snapt waarschijnlijk wel wat ze bedoelen. Bij Plotinus, de grondlegger van de stroming, brengt het Ene allereerst een intellectueel principe voort. Dat bevat de ideeën, de ideale blauwdrukken voor al het andere dat ooit zou kunnen bestaan. Wie het werk van Plato heeft gelezen, herkent er onmiddellijk de ideeënwereld in. Daaruit emaneert dan weer de ziel van de wereld, die heel het universum bezielt en bestiert. Ook de menselijke zielen emaneren daaruit. Die kijken naar boven, naar het intellect en naar de ideeën daarin en halen daar orde en inspiratie uit. Daarmee geven ze vorm aan de lagere materie beneden. Want hoe verder alles weg emaneert van het Ene, hoe materiëler het wordt. Uiteindelijk, zo ver verwijderd van het ene dat er niks meer te emaneren valt, is er alleen nog de vormeloze stof. Voor Plotinus is dat in feite het pure kwaad. Niet omdat het uit zichzelf slecht is, maar omdat het verstoken is van de invloed, de orde, vorm en sprankeling van het Ene. Niet voor niets noemde Augustinus, die sterk door het neoplatonisme beïnvloed was, het kwaad de ‘privatio boni,’ het ontbreken van het goede. Van daaruit kan het natuurlijk alleen nog maar beter worden: alleen nog terug omhoog, terug naar het Ene. En dat gebeurt dan ook. Er is niet alleen een uitvloeien van alles maar ook een terugbuigen naar het Ene. Proodos en epistrophe noemden de neoplatonisten dat, voortgang en terugkeer. Dit alles moet je niet zien als een opeenvolging van stappen in de tijd, trouwens. Het gebeurt allemaal tegelijkertijd en dus ook voortdurend. Een beetje te vergelijken met een netwerk waar stroom op staat. Het is niet moeilijk te begrijpen dat een dergelijke filosofie veel herkenningspunten bood aan mensen die hun geestelijke ervaringen probeerden te duiden. Die heimwee hadden naar een thuis waar ze nog nooit geweest waren. Die op de kop waren gezet door ontmoetingen met Iemand die ze nabijer was dan ze zichzelf waren, maar die tegelijk volkomen ongrijpbaar bleef. Ik schrijf ‘Iemand,’ geen ‘Iets,’ want ons beeld van God is in het Westen meestal uitgesproken persoonlijk. Niet alleen in het christendom, maar ook in de islam en het jodendom. Dat geeft ook al gelijk wel aan dat de filosofie van Plotinus moest worden aangepast om ingezet te kunnen worden als vertaalsleutel voor mystieke ervaringen van christenen, moslims en joden. Het onpersoonlijke en onverschillige Ene van Plotinus werd de persoonlijke God. Het willoze, onbewuste emaneren werd het bewust en actief scheppen. De eerste emanatie, het intellectuele principe werd de Logos, de Zoon van God. Dat waren nog best stevige ingrepen, die Plotinus en Proclus zeker niet zouden hebben geaccepteerd. Maar het resultaat was wel een raamwerk dat zo sterk was dat het bijna universeel werd. Op de achtergrond, dat wel, in ieder geval in het christelijke westen. Daar bereikten de neoplatoonse ideeën de mensen vrijwel alleen via de kerkvaders zoals Augustinus en Dionysius de Areopagiet. Zo waren Plotinus en Proclus op den duur stiekem overal, ook al hadden de meeste mensen nog nooit van ze gehoord. Iets vergelijkbaars gold voor de islamitische en joodse contexten, maar op een iets andere manier. Daar bleef wel degelijk werk van de oude filosofen zelf in omloop, maar onder een valse vlag, als de zogenaamde ‘Theologie van Aristoteles.’ De toeschrijving was absurd, maar de invloed was er niet minder om. Hoe dan ook geef ik hier even een schemaatje dat - vereenvoudigd - het beeld van de werkelijkheid in een paar mystieke subculturen in beeld brengt. Op één na zijn ze allemaal neoplatoons beïnvloed. De laatste niet, en veel van mijn collega’s zouden zeggen dat die hier ook helemaal niet thuishoort. Aan het einde van mijn verhaal, in de laatste aflevering van deze reeks, zal ik uitleggen waarom ik het toch even noem. (Als je op het schema klikt zou het groter moeten worden). Vandaag behandel ik dit schema tot en met Pseudo-Dionysius. De rest komt ergens in de komende weken aan bod. Enfin, zack-zack, allez-hop, aan het werk.

  • August 11 · 8 min

    Gods eigen sprookjesprinses

    Vandaag is het feest van de Heilige Filomena, het sprookje van de zomer. Vandaar maar even deze klassieker uit het archief, die hier nog niet eerder was verschenen. In Warfhuizen hebben wij een brandende devotie tot haar, dus hebben we om 11:00 een plechtige Hoogmis met toeters, bellen, bombarie en reliekverering. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • August 1 · 16 min

    Zit God tussen je oren?

    Die God van jou, waar je zoveel houvast aan hebt, en die er altijd is als je aan Hem denkt? Zit die niet gewoon tussen je oren? Is elk gebed, elk gesprek met Hem niet gewoon een gesprek met jezelf? Want je loopt Hem niet tegen het lijf als je boodschappen gaat doen, of in het bos als je de hond gaat uitlaten. Je ervaart Hem alleen als je je terugtrekt in jezelf. “God zit dieper in mij dan mijn diepste innerlijk, en hoger dan mijn hoogste topje.” Dat is een wereldberoemde uitspraak van de heilige Augustinus. Het klinkt diep ontroerend en veel mensen moeten er een beetje van snotteren. Maar als je er even goed naar kijkt is het ook best verontrustend. Want als God dieper in je zit dan zelfs je onderbewuste, en meer jou is dan jij jezelf bent - want dat is wat er staat - wat blijft er dan van Hem over, apart van jou? Als de enige weg naar God naar binnen loopt, zit je dan niet gewoon tegen je eigen innerlijke spiegelbeeld te kletsen als je aan het bidden bent? De negentiende-eeuwse filosoof Feuerbach beweerde dat in ieder geval wel. Volgens hem is God niks anders dan de geprojecteerde, uitvergrote essentie van de mens zelf. Wat de mens in God meent te zien - liefde, almacht en goedheid - is volgens hem een spiegel van wat de mens zich wenst, maar naar buiten en omhoog geprojecteerd. En zo denken ook de meeste moderne psychologen erover. Er zijn tegenwoordig zelfs hersendeskundigen - dus geen psychologen maar serieuze wetenschappers - die roepen dat ze het gebed zelf zien oplichten op hun scans en dat dat het mysterie van God wel zo’n beetje heeft opgehelderd. Ik vind dat persoonlijk nog wat aan de haastige kant, maar enfin. Nou gaat het niet aan om voor dit soort vragen weg te lopen. Als je je geloof serieus neemt kan je God niet gaan lopen beschermen tegen de realiteit. God moet jou in standhouden, niet jij God. Vrijwel alle grote mystici hebben met dit probleem geworsteld, dus juist de mensen die zich het diepst hebben gewaagd in de jungle van het gebed en de ingewanden van God. Ook zij hebben het nogal eens over een spiegel, maar ze komen tot een andere conclusie dan de sceptische psychologen. Voor hen is de méns de spiegel, en God degene die in die spiegel kijkt. Zo wordt de mens wel heel letterlijk beeld en gelijkenis van God. De dertiende-eeuwse mysticus Rumi vertelde graag het volgende verhaal, dat in dichtvorm is overgeleverd. Het is wat aan de lange en breedsprakige kant voor de gefrituurde tiktokbreinen van tegenwoordig. Daarom geef ik hier maar even een vrije vertaling ervan. Het gaat over Mozes. Die trok eens door de velden toen hij een zacht gemompel hoorde vanaf een heuveltje even verderop. Op een dag hoorde Mozes hoe een herder tot God bad, O, God, o God, mijn Heer en nog wat verder dan dat, “Waar woont U toch, ik wil U dienen als uw trouwe knecht, Ik lap uw ouwe schoenen en ik kam uw kapsel recht. Ik was uw kleren en verjaag de schurft en de vlooien en ik breng U zoete melk van de beste van mijn ooien. Ik masseer uw zere voeten en kus uw zachte handen, ik stop U lekker in en poets U ook de tanden. Ik doe uw sokken en uw pyjama’s in de was, en ik stop ook nog de gaten in uw zondagse jas. Zo bazelde hij verder in kinderlijke waan, En maakte zo Mozes de kachel aan. Die vroeg hem: zeg, wat is dat hier voor dom geleuter? Tegen wie ben jij daar aan het kletsen als een domme kleuter? De Herder, in de war, verbaasd en ook nog ontzet, keek op en zag wie hem daar had gestoord in zijn gebed. Hij zei: “Ik bid tot God die heel de wereld heeft geschapen, mijzelf en ook de hemel en de aarde en mijn schapen.” Maar Mozes brulde: “Hou je bek, zo praat je niet met God, Straks is Hij nog beledigd en dan slaat Hij je kapot.” Je klinkt oneerbiedig, veel te familiair, je bedoelt het wel goed, maar je bent ordinair. Bewaar je goeie zorgen voor je makkers en je maten, God heeft geen lichaam, heeft geen slaap en ook geen jas met gaten.” De arme herder kromp ineen en zei het spijt me zeer, Sorry, sorry sorry en nog extra sorry meer. Hij zuchtte diep en scheurde ook zijn mantel nog kapot, en verdween in de heuvels, met zijn schapen en zijn God. Tevreden over zijn strenge doch rechtvaardige optreden wandelde Mozes verder door de velden. Hoe konden mensen toch zo dom zijn om te denken dat ze met God konden omgaan als met hun lijpe neefje? Zich voorstellen dat Hij zich ooit zou bezighouden met dezelfde onnozele obsessietjes als zij? Kapotte schoenen? Vlooien? Lieve Hemel! Maar toen donderde een openbaring uit de lucht, En het scheelde niks of Mozes sloeg ervan op de vlucht. En de stem van God zei, woedend als een ouwe buschauffeur; “Jouw verwaten kolder brengt mij smerig uit mijn humeur. Waarom jaag jij van mij mijn trouwe vrienden weg? Als je denkt dat Ik dat leuk vind, ja, dan heb je gloeiend pech. Heb ik je niet gestuurd om mensen éénheid te leren, Waarom loop je hier dan armelui te terroriseren. Was Ik het niet die jou en hem geschapen heeft, en jullie elk voor zich zijn eigen vorm van bidden geeft. Waar hij van droomt brengt in jouw strot de gal omhoog en jouw mooiste woorden klinken in zijn oren veel te droog. Ondertussen ben Ik boven die verschillen verheven, Ik ben, Ik leef, en sterker nog: ik bén het leven. Voor lui uit India klinkt alles beter in Sanskriet, En als Ik geen zes armen heb, herkennen ze mij niet. Voor jullie Perzen zijn alleen de woorden mij waardig, Die ik zelf gezegd zou hebben, en vooruit: die zijn best aardig, Maar hoe dan ook let ik niet op je woorden, op je taal, maar alleen op de bedoeling van je levensverhaal. Door jouw gebed word ik niet zuiverder dan Ik al ben, Maar weet dat ik van elk idee de wortel ken. Dansen en zingen, springen en gillen: Ik weet wat aan de oorsprong ligt van al die grillen. Wat moet ik met gebeden in gebeeldhouwde kwatrijnen, als diep in jou de monsters copuleren als konijnen. Ik heb niks aan metaforen en geciseleerde verzen, Uit de mond van iemand die maar steeds demonen uit blijft persen.” - Toen greep hij Mozes’ hart en legde er geheimen in, Van die hele tere, met een onbegrijpelijk zin. Die Mozes toch verstond, hij werd vervuld van klare taal, Zijn eigendunk smolt weg, het werd een heel ander verhaal. Hij raakte van zijn à propos en toen weer erop, Zijn onder zat nu boven en hij stond op de kop. Hij rende de woestijn in om het herdertje te zoeken, hij kon hem eerst niet vinden en liep als een gek te vloeken. Gelukkig duurde het niet lang voordat hij hem vond, toen stroomden er als water goede woorden uit zijn mond. Bescheiden en beschaamd zei hij: “het spijt me zeer, Sorry, sorry, sorry, sorry, en nog extra sorry meer. Flikker alles wat ik heb gezegd maar over de heg, Ik zat ernaast, ik was verblind en mijn verstand was weg. Stoor je maar niet meer - bij je gebeden - aan de vorm, Voor God zijn je bedoelingen de enige norm. Jouw onverstand is geloof, en jouw geloof Gods eigen Licht, waardoor de wereld wordt gered, waarvoor het duister zwicht. Het beeld dat jij aanschouwt, als je in de spiegel tuurt, Is van jou, niet van de spiegel die het naar je ogen stuurt. De adem ín de fluit is niet de adem ván de fluit, zonder een fluitist komt daar echt geen liedje uit. De radio houdt in zich echt geen diva’s gevangen, Hij krijgt ze uit de ether, al die operagezangen. Zo ook bij jou: wie jouw oprecht gebed bespot, die spot niet met jou, maar met de adem van God. Want die boeit het niet hoe hooggeleerd het bidden klinkt, maar alleen hoe eerlijk in die taal de liefde blinkt.” Dus, lieve kijkbuiskindertjes, als je iemand bidden hoort, bedenk je dan wel drie keer voordat je je eraan stoort. Rumi geloofde duidelijk dat het gebed van God zelf komt. Dat het bij iedereen weer anders klinkt, maar in essentie toch steeds hetzelfde gebed is. Zoals lucht die door een fluit wordt geblazen of licht dat op een spiegel valt. De fluit en de spiegel kleuren wel de klanken en beelden die je hoort en ziet, maar uiteindelijk is er stiekem alleen maar adem, alleen maar licht. En die adem en dat licht zijn niet van die fluit en die spiegel. Ze zijn afhankelijk van de fluitist, van de zon, van degene die in de spiegel kijkt. Van God, want daar is deze metafoor om te doen. Het gebed is niet van de bidder, maar van God. En dat geldt niet alleen voor je gebed, maar voor heel je bewustzijn. Je hier en nu. De zalige Jan van Ruusbroec maakt ergens de volgende opmerking: “God schept de mens uit het niets, dat Hij gaat halen uit het nergens. Daarom neigt die mens naar dat niets in dat nergens. Dan stroomt hij uit zichzelf weg in verlorenheid, Hij zinkt weg in het simpele Wezen van God als in zijn eigen Grond en hij sterft in God. En sterven in God: dat is zalig zijn, volgens Ruusbroec. Onze diepste grond is niet van onszelf, zegt hij, we krijgen die maar geleend van God. En als we ons dus inkeren in onszelf kan het niet anders of we komen Hem daar tegen. En net als dat herdertje van Rumi kleden we Hem dan aan en poetsen zijn schoenen en kammen zijn haar. Wij missen zijn essentie omdat we niet anders naar Hem kunnen kijken dan door ons eigen glas. En dat glas is gebobbeld en gekleurd en ook niet schoon. En hoe meer je je best doet om er iets door te zien, hoe troebeler het vaak lijkt. Want niet je moeite brengt je uiteindelijk bij God, maar je overgave. Je loslaten. Hoe harder je je inspant om er iets van te begrijpen, hoe stijver je je billen bij elkaar knijpt, hoe minder je van Gods waarheid te zien krijgt, en hoe meer van je eigen voorstellingsvermogen. Goed: de mystici zeggen dus dat het zelf van de mens het gevolg is van Gods aanwezigheid. De verlichtingsfilosofen en de hogepriesters van de moderne psychologie zeggen dat de ervaring van Gods aanwezigheid een gevolg is van het zelf van de mens. Precies het omgekeerde. Nou ben ik geen Amerikaanse apologeet, dus ik ga hier niet kinderachtig liggen te hakketakken. Je gelooft waar je zin in hebt, mij zal het worst wezen. Uiteindelijk is het toch wat het is, wat jij en ik er ook van vinden. Voor de volledigheid van het perspectief stip ik toch nog even de zogenaamde ‘neurotheologen’ aan. Dat zijn neurowetenschappers die het aardig vinden de hersenpannen van mensen te scannen als die aan het bidden of mediteren zijn. Andrew Newberg is de bekendste daarvan. Uit zulk onderzoek komt af en toe wel eens iets interessants tevoorschijn. Zo schijnt het dat, in sommige meditatieve toestanden, de activiteit van de pariëtele kwab wat daalt. Dat betekent in de praktijk dat je een verminderd gevoel van lichaamsbegrenzing hebt. Ook heeft een zekere Michael Persinger op een gegeven moment nogal wat opschudding veroorzaakt met zijn God helmet. Dat was een helm die de temporaalkwabben zou stimuleren met zwakke elektromagnetische straling. De mensen die dat ding opzetten rapporteerden nogal eens de ervaring van een geestelijk wezen in de ruimte. Ze hadden het over engelen en geesten en zo. Nou is het wel zo dat dat onderzoek later niet meer lukte toen anderen het probeerden na te doen, wat bij wetenschappelijke experimenten geen goed teken is. Ook heeft men later mensen weleens een nephelm opgezet, dus eentje waar wel allerlei draadjes uitstaken, maar waar geen stroom op stond. Die mensen ervoeren evengoed alsnog engelen en geesten. Het placebo-effect was dus sowieso behoorlijk sterk in deze setting. Ook niet zo raar. Zoiets voelt natuurlijk vreselijk spannend. Prima, allemaal, de mens is een onderzoekend wezen en ook dit mag je rustig eens vanuit een ander perspectief bekijken. Over God of over de essentie van religieuze ervaring kan het je ondertussen niet veel wijzer maken. Dat mystieke belevenissen een neurologisch correlaat hebben wil immers niet zeggen dat ze met dat neurologische correlaat samenvallen. Uiteindelijk ligt het toch aan je subjectieve filosofische instelling wat voor conclusies je uit dit soort informatie trekt. De één zegt: ‘wij zijn ons brein,’ de ander zegt: alles is bewustzijn. Of liefde. Of kippensoep, voor mijn part. Ondertussen is alles dan nog steeds gewoon wat het is. En met zekerheid kan niemand van ons daar veel over zeggen, noch met heilige boeken, noch met uitslaande metertjes. Enfin. De vreselijk grappige occultist en thelemiet Lon Milo Duquette heeft als levensmotto: “It’s all in your head, you just have no idea of how big your head is.” Ik weet dat hij niet bepaald een kerkvader is, maar ik vind het persoonlijk erg sterk. Wat hij zegt verschilt uiteindelijk niet veel van Ruusbroecs en Rumi’s Fluiten en spiegels. Zit God nou tussen je oren of niet? Daar zal je wel geen definitief antwoord op krijgen in dit leven. Dat antwoord is ook niet zo belangrijk. Hoe dan ook vind ik het zelf heerlijk om op de deur te kloppen en te roepen, ‘ben je daar?’ En dan te horen ‘Ik ben er! kom binnen!’ This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • July 17 · 22 min

    Ben ik authentiek katholiek?

    Ben jij zo’n katholiek die de westerse beschaving beschermt tegen de homo’s, de islam en de boze meisjes met blauw haar? Hoef jij niet meer te piekeren over dingen omdat je op de dag dat je gedoopt werd hebt besloten om all in te gaan? Dus gewoon lekker alles te geloven en te doen zoals het in de catechismus staat? Ben jij zo iemand die zijn hele leven even kan vergeten bij de kerkdeur, of als je een katholiek boek pakt, of het katholieke internet opgaat? Schrijf jij “Traditie” met een hoofdletter ‘T?’ Ben jij altijd op zoek naar de zuiverste moraal en de onveranderde leer van Trente? Gefeliciteerd, dan ben je niet aan het katholieken, maar aan het larpen. (Intro) Larpen, voor wie er nog nooit van gehoord heeft, is live action role play. Je leeft voor een paar uurtjes, of liever nog een heel weekend, in een alternatieve wereld. Een wereld die een beetje op de middeleeuwen lijkt, maar dan zonder de stront en de ziekten. En mét een snufje magie. In die wereld ben je iemand anders, iemand die je zelf hebt kunnen bedenken. Als je normaal een onzeker kletsmeisje bent, ben je daar een vrouw die met haar blikken kan bevelen en die beweegt als een kat. Ben jij in je dagelijkse leven een nerveuze magere serverbeheerder, dan ben je daar een mysterieuze zwijgzame prins van wie de vrouwen zwak in de knieën worden. Enfin, je snapt het idee. Je kan er lekker helemaal in verdwijnen, maar tegelijk is het ook veilig. Je voert een dubbele boekhouding. Je wéét immers dat je aan het larpen bent, en de mensen die met jou meelarpen ook. Het is alsof je een lucide droom hebt: een droom waarin je weet dat je aan het dromen bent en waarin je dus alles kan laten gebeuren wat je wilt. En zodra je het bos uitloopt is het spel over, of in ieder geval op pauze gezet. Precies zo’n dubbele boekhouding zie ik op moment ook bij fanatieke katholieken, vooral de hele orthodoxe en traditionele. Degenen die, zeg maar, extra hun best doen. Volgens mij bedoelen ze het wel goed en hebben ze het ook zelf niet in de gaten, maar ze bewegen zich in twee werelden tegelijk. En van die twee is de katholieke vaak niet degene waar ze echt in léven, maar degene waarin ze dat leven juist even kunnen ontvluchten. Hun katholieke leven is niet hun realiteit, maar hun geestelijke vakantie-oord. Want ook jij bestaat, net als ik, in een wereld van iphones, evolutiebiologie en kwantummechanica. En ruimtetelescopen. Als je daarin koekeloert zie je sterrenstelsels die dertien miljard lichtjaar van ons vandaan bestaan. Of hébben bestaan, ooit. Ook jij weet van DNA en van dinosaurussen. Je weet dat de aarde vierenhalf miljoen jaar oud is en dat er duizenden godsdiensten bestaan of hebben bestaan. In verre oorden waar Jezus en zijn Evangelie net zo exotisch zijn als de zesde incarnatie van Vishnu hier. Maar waar de mensen evengoed voortdurend zoeken naar de God die ze hun bewustzijn en hun leven schenkt. En waar ze even goed houden van warmte en vrede en een hekel hebben aan haat en nijd. Maar als katholiek larpertje knijp je tegen dat alles je billen bij elkaar en prent je je in dat je een Europese middeleeuwer bent die nog nooit buiten zijn dorp is geweest. Dat de hemel een reeks van concentrische schijven is, waarvan de buitenste bezaaid is met gaatjes waardoor het licht van de hemel door het duister priemt in de vorm van sterretjes. Dat ergens daarboven een soort verdiepingen van wolkenslierten zijn. Daarop zitten de Vader, de Zoon, de Heilige Geest en alle heiligen en engelen. En die smeden plannetjes voor de mensen op aarde. Soms helpen ze je een parkeerplaatsje te vinden en soms laten ze je kanker krijgen of opvreten door een tijger. Dat geeft allemaal niks, want als je dan dood gaat hebben ze een soort eeuwige Efteling voor je klaarliggen. Tenminste, als je een beetje meewerkt met hun plannetjes. Die plannetjes droppen ze grotendeels in schriftelijke vorm, als iets wat we Bijbel noemen. Dat is niet ideaal, want de goddelijke Personen zijn klaarblijkelijk niet bijster bedreven in helder en consequent formuleren. Gelukkig weten ze dat zelf ook, dus hebben ze op aarde een ambtenarenapparaat van godgewijde mensen opgetuigd om hun schrijfsels uit te leggen. En regeltjes te stellen. Nou klinkt het alsof ik mijn eigen godsdienst niet serieus neem, maar het is juist andersom. Volgens mij is het christendom veel te kostbaar om te worden klemgezet in een primitief stadium uit een ondertussen ver verwijderd verleden. Godsdiensten zijn talen om het onuitsprekelijke toch te kunnen zeggen. En om, andersom, de Absolute te kunnen verstaan. Het zijn brillen om het goddelijke fundament van de werkelijkheid zowel te kunnen zien als jezelf eraan te tonen. Natuurlijk vindt elke godsdienst zichzelf minstens de beste en vaak de enige ware. En natuurlijk geldt dat ook voor ons, katholieken. Nou word je het over zoiets natuurlijk nooit eens, maar het lijkt er niet op dat we ons over het katholicisme bijzonder moeten schamen. Natuurlijk wordt het gedragen door mensen en die verputsen de zooi soms ongenadig. Maar als het op zijn best is en niet wordt misbruikt past het beestje zelf subliem op wie de mens is. Schepping, zondeval, verbond, incarnatie, verlossing, voleinding - het is allemaal te mooi om niet waar te zijn, minstens op de één of andere manier. Mits je de realiteit zoals die zich gewoon aan je voordoet wél respecteert. En dus niet gaat proberen de gekende waarheid te verdraaien om elk detail van je dogmatische constructie te laten kloppen. Kloppen op precies de manier die je altijd gewend was, ook nog. God gaat beschermen tegen de werkelijkheid. Want dat is, in het beste geval, smakeloos Amerikaans gedoe, maar meestal ook nog gewoon sektarisch. Als juist de mensen die pretenderen de Kerk en het Evangelie het meest ernstig te nemen het katholieke verhaal lezen als een sprookje - kinderachtig letterlijk en vloekend met de meest basale dagelijkse ervaring, dan maken ze het ongeloofwaardig. Want zij proberen zo wel trouw te zijn aan de traditie. Maar echte traditie leeft. Schiet wel op uit het erfgoed - dat dus ook gerespecteerd en gekoesterd moet worden. Maar leeft daaruit tegelijk ook altijd een heel nieuw leven. Hard traditionalisme maakt van het geloof een karikatuur. Een weekendje larpen, ook al is het dan elk weekendje. Want de kennis die je nou eenmaal hebt verdwijnt niet zodra je knielt naast je bank en een kruisje slaat. Wat je op het journaal hebt gezien en in de biologieles hebt geleerd verkruimelt niet in je brein als je je ogen opslaat naar de hemel. De hemel wil dat ook helemaal niet. Dus, nee, er was niet op een concrete dag een moment dat God zijn geduld verloor en heel de wereld verzoop. En in de evolutie van het leven op aarde, al die miljoenen jaren van mutatie en selectie, kan niemand precies het moment aanwijzen waarop er voor de eerste keer een mens verscheen. Een mens die kon liefhebben en nadenken, en die wist dat hij wist en wist dat zijn weten eindig was. En nee, Jezus hing dus niet te sterven omdat Hij een zoenoffer was voor een kwaaie narcistische Vader die nog steeds boos was over een gejatte vrucht van een paar honderdduizend jaar eerder. En die daarom iedereen in een eeuwige frituur wil gooien uit pure gekwetste trots. Als je de boodschap van het christendom ernstig wilt nemen zul je je ermee moeten verzoenen dat die boodschap je boven de pet gaat. Dat je het wel kunt vergeten er een definitieve formule voor te ontwikkelen en dan klaar bent. Zelf zou ik zeggen dat het er ongeveer op neerkomt dat God de dragende macht van het bestaan zelf is. Hij overstijgt ons wel, maar staat niet los van ons. Hij leeft van binnenuit met ons mee en houdt hartstochtelijk van ons. Wij hebben de neiging door onszelf, door onze begeerten en angsten, gefascineerd te raken. Daardoor vervreemden wij ons van Hem. Wij zijn Hem alleen zo lief dat Hij dat niet wil laten gebeuren. Maar Hij wil ook onze vrijheid geen geweld aandoen. Het draait erop uit dat Hij zijn onaantastbaarheid achter zich laat. Zich waagt in het donkerste en wreedste en hatelijkste van ons mens-zijn. Om ons daaruit weg te smeken. Om door zich te offeren de dood te doden, de kou te verdrijven, de haat te blussen en ons ervan te doordringen dat Hij aan onze kant staat, dat we Hem veilig kunnen aanvaarden en vertrouwen. En dat we daar letterlijk zalig van worden. Maar ook dat is weer een hoogstpersoonlijke momentopname op een hoogstspecifiek moment in een hoogstspecifieke cultuur. En dat is zoals het hoort. Niet omdat heel de traditie voortdurend moet worden aangepast aan de tijdgeest. Sterker nog: ik denk dat het tastbare, materiële en rituele stuk ervan nauwelijks door ons actief kan worden veranderd zonder het te vernielen. Dat is ook wel bewezen, want dat is precies wat in de vorige eeuw na het concilie is geprobeerd en mislukt. We moeten dat zo langzamerhand maar eens erkennen. Wat niet is aangenomen kan per slot van rekening ook niet worden genezen. Alleen de trage evolutie die ontstaat uit het eindeloze beleven en doorgeven verandert het gezicht van de Kerk op een gezonde manier. De Maar de interpretatie en de beleving van dat alles: dat is een totaal ander verhaal. Dat moet in het moment. Dat is niet alleen veranderlijk, maar zelfs vluchtig, omdat wij vluchtig zijn. Daarin wordt van ons souplesse verlangd, kwikzilver, ritme. Het is als een geestelijk dansen met God zelf als partner. Als we Hem willen vertrouwen moeten we ook met Hem mee durven te bewegen. Want de kern van het geloof is de levende God zelf, die nooit kan worden aangepast aan de tijdsgeest. Simpelweg omdat Hij is wie Hij is. Zonder onderdelen en eigenschappen. Onveranderlijk, onvergankelijk, essentieel zichzelf en verder niks. Maar dat is wél maar één aspect van Hem. Tegelijk is Hij ook God met ons, God zoals wij Hem in ons specifieke leven in onze specifieke tijden en omstandigheden ontmoeten. God zoals Hij zich aan ons voordoet, zoals Hij voor ons beschikbaar is in ons bewustzijn, ons hier en nu. En daar zien wij Hem door onze eigen ogen op onze eigen manier. Daar horen wij Hem door onze eigen oren een liedje zingen dat speciaal bedoeld is voor ons op het moment dat we het horen. Daar krijgen wij Hem op onze tong gelegd en proeven wie Hij is. Daar raken wij aan Hem en krijgen onszelf aan ons geschonken. En dat is Hem een plezier, want Hij houdt van ons zoals wij Hem zien en horen en raken. Daar, bovendien, troost Hij ons en geneest Hij ons. Oude geloofswaarheden moet je laten waar ze zijn. God is Schepper, de mens is gevallen en tegelijk heilig, Christus is waarlijk God en waarlijk mens en Hij is verrezen. Maria is onbevlekt ontvangen en met alles erop en eraan in de hemel opgenomen. Ook is het nergens voor nodig om wonderen en moeilijk te geloven dogmata in flauwe, kinderachtige metaforen om te bakken. “De verrijzenis is de nieuwe lente in je hartje,” of zo. Als je een tijdje niks kunt met dat soort elementen laat je ze gewoon even met rust. Op den duur zal de goede God ze wel nieuwe scheuten laten zetten. De Kerk is nog steeds heel erg ziek, in ieder geval in het Westen. De laatste tijd zijn er wel tekens van hoop, voorzichtige signalen dat het verhaal toch nog verder zou kunnen gaan. Overal duiken jonge mensen op, die zich uit het niks naar de Kerk toekeren. Meestal zijn ze nog geen twintig, of net, en op die leeftijd ben je iets helemaal of helemaal niet. Dat klinkt goed, van die frisse, vrijmoedige gelovigen, maar het kan ook uitdraaien op strobrandjes, die fel oplichten in de nacht, maar ook gelijk weer verdwijnen in het donker. Want deze jongeren stromen binnen in een oude gemeenschap van zogenaamde paplepelkatholieken. De laatste overlevenden van de oude, grote, vanzelfsprekende volkskerk. Die zijn bijna allemaal bejaard en vaak ook moe, ook die paar die nog niet zo bejaard zijn. Ze hebben een veel te lange periode van krimpen en langzaam de moed verliezen achter de rug. Want het geloof doorgeven: dat lukte ze eigenlijk nooit. Dat is ook niet zo’n wonder, want ze maakten over het algemeen eerder de indruk reünisten van een verdwenen sociaal klimaat te zijn dan mensen die ergens in geloofden. Ze herkenden elkaar in zowel hun heimwee naar als hun afschuw van de Kerk van hun jeugd. Dat gaf ze nog wel even een soort samenhang, maar zoiets is natuurlijk nooit door te geven aan je kinderen. Dus krijgen ze nu andermans kinderen. En het zou ze sieren als ze daar zuinig op zouden zijn. En dat kunnen ze ook best, als ze zich er even toe zetten. Er wordt van twee kanten nederigheid en dankbaarheid gevraagd, twee katholieke eigenschappen bij uitstek. Dat de nieuwe, jonge katholieken het weer anders gaan doen dan de ouderen is prima, en dat ze de traditie van zolder trekken omdat ze die interessanter vinden dan de constructen uit 1970 is ook prima. Daarbij mogen ze ook nog fouten maken en af en toe een grote bek hebben. Dat is de leeftijd. Maar ze moeten ook beseffen dat ze moeten profiteren van de levenswijsheid van de gemeenschap als ze de geschiedenis niet gewoon willen herhalen. Als ze zelf niet ook, over zestig jaar of zo, willen eindigen als reünisten van een vergane Kerk waar ze tegelijk naar hunkeren en van moeten kotsen. Dus, lesjes uit de twintigste eeuw die niet vergeten mogen worden: duidelijkheid is prima, maar hier op aarde niet altijd mogelijk. Alle geloofswaarheden zijn verwijzingen naar werkelijkheden die groter en anders zijn dan jij je voor kunt stellen. Je kan wel liever een ja- of nee-antwoord willen, maar die klinken op dit terrein nogal eens infantiel. Hetzelfde geldt voor regeltjes. Daar hebben we er bakken van, en die worden regelmatig door het leven onder de voet gelopen. Soms is dat inderdaad een ramp, maar meestal niet. Dan zeggen we: ‘eigenlijk zou dat de volgende keer beter moeten kunnen.’ Nog iets voor de liefhebbers van duidelijkheid: Kerkelijk recht. Dat komt pas het allerlaatst aan de orde. Het moet er absoluut zijn, omdat er anders geen recht kan worden gedaan. Maar dat betekent ook gelijk dat het er is voor als het verkeerd gaat. Of om te voorkomen dat het verkeerd gaat. Als alles zijn gewone gangetje gaat is het onzichtbaar achter alle dingen die belangrijker zijn. Zoals de gemeenschap, het gebed en het leven met God. Gelovigen die het kerkelijk wetboek beter kennen dan hun heiligenlevens, missaaltjes en gebedenboeken hebben dus een probleem. Kijk jij bijvoorbeeld de hele tijd tegen de sacramenten aan als formele verplichtingen die al of niet geldig zijn, dan lijd je aan een gruwelijke vorm van spirituele bloedarmoede. Als je wakker bent en je kop niet in het zand steekt ontdek je in deze wonderlijke schepping dat er achter elke schakering weer een nieuwe nuance schuilt, en dat elke minuut van je leven duizend dingen meebrengt die niet in woorden uit te drukken zijn. Die kan je in geen enkel live action role play ondergebracht krijgen. Als het aan mij ligt krijgt elke kerk een bordje aan de deur met: ‘Verboden te LARPEN. De Kerk is er om je leven groter te maken, niet op te sluiten in een bordkartonnen ruleset. Als jouw God te definiëren is in een character sheet dan wordt het hoog tijd dat je een andere bril opzet. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • June 30 · 34 min

    Het ging nooit om de Latijnse Mis

    Bij uitzondering deze keer een aflevering die gaat over de donkere kant van een intens geleefd geloof. Mijn excuses hiervoor, maar vanwege de liturgische stijl in de kluis vond ik het noodzakelijk mijn standpunt hierover duidelijk te maken. Ook verwacht ik dat er erg ongenuanceerd over geschreven en gepodcast zal worden. Ik heb mijn best gedaan het onderwerp hier op een meer invoelende manier aan te vliegen. Een bijpassende meditatie is natuurlijk moeilijk te schrijven, dus komt er binnenkort een losse. Op 1 juli gaan de bisschoppen van de opstandige priesterbroederschap Pius X zichzelf een automatische excommunicatie op de hals halen. Ze gaan namelijk nieuwe bisschoppen wijden terwijl de paus dat niet goed vindt. Dat vinden ze weliswaar heel vervelend, zeggen ze, maar ze vinden dat ze geen andere uitweg hebben. “Hier staan wij, wij kunnen niet anders,” zeggen ze in feite. Het moet wel gezegd: voor een tragische maar onvermijdelijke verlegenheidsoplossing zijn die illegale bisschopswijdingen een beetje merkwaardig vormgegeven. Een tragisch maar onvermijdelijk meerdaags festival met de bijbehorende tragisch maar onvermijdelijke feestelijkheden. Je kunt er zelfs een tragisch-maar-onvermijdelijk wijnpakket bij bestellen. Wat is hier in godsnaam aan de hand? (Intro) ‘Als je niet gelooft in Jezus Christus en gedoopt bent en katholiek gaat je ziel verloren en word je eeuwig gemarteld in een poel van vuur en haat.’ Daar geloofde minstens tot aan de tweede wereldoorlog het grootste deel van de katholieken heilig in. Dat wil zeggen: ze geloofden zelf dat ze daar heilig in geloofden. Echt veel om het lijf kan dat geloof wel niet gehad hebben, want anders zouden ze zich wel met veel meer paniek en drift hebben uitgesloofd om iedereen tot Christus te bekeren. Tenzij ze egocentrische ijspegels zouden zijn geweest. Mensen die het wel prima vonden om in de hemel te zitten terwijl anderen eeuwig crepeerden in de hel. Maar zo was het natuurlijk niet, dat is onzin. De doorsnee katholiek geloofde alleen meer in zijn eigen geloof in de hel dan in de hel zelf. Ik kan me tenminste niet herinneren dat mijn protestantse ouders vroeger aan de lopende band katholieken aan de deur kregen om ze van de eeuwige straffen te redden. Natuurlijk waren er ook uitzonderingen op deze regel. Er was een kleine minderheid die juist heel erg geloofde in de hel voor alle niet-katholieken. Die vond je vooral in de delen van Europa waar katholiek zijn niet vanzelfsprekend was. Waar de Kerk door niet-katholieken was vervolgd en gemarginaliseerd, zoals in Nederland en Frankrijk. Waar mensen voor hun geloof moeten lijden wordt dat geloof nou eenmaal absoluter, harder en minder aanpassingsbereid. Niet voor niks kwamen uit dat soort landen ook de meeste missionarissen. Mensen die hun leven gaven om het Evangelie te verkondigen aan niet-katholieken. Precies zo iemand was een zekere Marcel Lefèbvre, uit het noord-Franse Tourcoing. Bij hem was het geloof in de hel helemaal écht en héél acuut. Hij geloofde bovendien ook héél erg dat je die hel alleen kon ontlopen als je gedoopt katholiek was of daar toch tenminste heel erg naar verlangde. Zo was hij van jongs af grootgebracht, en hij kon zich niks anders voorstellen. En hij was géén onverschillige ijspegel, dus sloofde hij zich heel zijn leven uit om zoveel mogelijk mensen voor Christus te winnen. Mensen willen redden was trouwens een familietrekje bij de Lefèbvres. Marcels vader, René, werd in 1944 in een concentratiekamp doodgeschoten omdat hij er alles aan had gedaan om Britse piloten te redden van de Duitsers. Net zo investeerde ook Marcel zijn leven in het heil van anderen. Door ziekenhuizen en scholen en kindertehuizen te stichten, maar vooral door mensen katholiek te maken en zo ook te laten ontsnappen. Niet aan de hel de nazi’s, maar aan de ééuwige hel. Hij kon de gedachte niet verdragen dat hij aan het einde van zijn leven niet álles zou hebben geprobeerd om zoveel mogelijk zielen te redden. Een heel onwerkelijk idee vinden we dat tegenwoordig, en we hebben zelfs de neiging om er onze neus voor op te halen. ‘Zieltjes winnen,’ noemen we het. Maar als je heel eerlijk bent was zijn offer onzelfzuchtig en ontroerend, gewoon omdat hij er zelf zo oprecht in geloofde. Met zijn karakter en achtergrond was het logisch dat hij missionaris werd, en ook gelijk een hele effectieve. Hij schopte het maar liefst tot aartsbisschop van Dakar en uiteindelijk praktisch tot leider van alle katholieken in Franstalig Afrika. Dat werk was voor hem klaar in 1962. Toen gaf hij het stokje over aan de eerste aartsbisschop die zelf ook echt uit Afrika kwam. Zelf werd hij toen gekozen tot algemeen overste van zijn missiecongregatie, de spiritijnen. Dus ook toen weer bestond zijn taak eruit zoveel mogelijk mensen katholiek te maken. Maar de tijden waren aan het veranderen en snel. Europa was getraumatiseerd door de gruwelen van de tweede wereldoorlog en in de war van alle technische ontwikkelingen. Mensen klonterden meer en meer samen in steden en verloren het directe contact met de natuur. In plaats van achter de ploeg werkten ze achter de typmachine. Ze kregen televisie en een eigen auto en hielden, vooral door de uitvinding van de antibiotica, op om overal maar de hele tijd dood aan te gaan. Ook kregen ze geen vijftien kinderen meer waarvan een kwart als baby of peuter stierf. Het was ook toen voor het eerst dat echt veel mensen ver konden reizen. Ze bereikten steeds verdere oorden en leerden vreemde culturen voor het eerst écht kennen. En die bleken meestal helemaal niet primitief en sinister te zijn - zoals ze hadden geleerd, maar vaak juist fascinerend, edel en bewonderenswaardig. Met andere woorden: de eerste helft van de twintigste eeuw was afschuwelijk geweest, maar er werd wel een hele nieuwe wereld uit geboren die in 1962 fris en fruitig en hoopvol en voorjaarsachtig uit de ogen keek. En de Kerk wilde in die lente mée. Paus Johannes XXIII riep daarom een grote vergadering van alle bisschoppen in Rome bij elkaar, een zogenaamd ‘concilie,’ om de Kerk bij de tijd te brengen. En, wat veel mensen niet weten: Marcel Lefèbvre heeft daar gewoon aan deelgenomen. Hij was zelf een concilievader. Maar hij kwam wél van een koude kermis thuis. Hij merkte tijdens de sessies van dat concilie al snel dat er een ordinaire touwtrekwedstrijd was ontstaan tussen bisschoppen die alles en bisschoppen die helemaal niets wilden veranderen. En tot zijn grote verdriet wonnen die eersten, en die pakten ook gelijk drastisch door. Zo kon het gebeuren dat nota bene het hoogste kerkelijke leergezag de zin van alles waarvoor Lefèbvre zich in zijn leven had opgeofferd in twijfel trok. Het moet voor hem gevoeld hebben alsof hij persoonlijk met al zij idealen en levenswerk in de vuilnisemmer werd geflikkerd. Het voornaamste probleem was voor hem dan ook niet, zoals veel mensen denken, de liturgie. Het voornaamste probleem was het document ‘Nostra Aetate,’ over de verhouding van de Kerk tot de niet-christelijke godsdiensten. Dat zette het exclusivisme van de Kerk - het idee dat er buiten de Rooms-Katholieke Kerk geen redding mogelijk is op losse schroeven. Het beschrijft alle concurrenten van de Kerk en prijst ze eigenlijk letterlijk de hemel in. Het begint met de godsdiensten van het verre oosten, en ziet daarin “een straal van de Waarheid die alle mensen verlicht.” Daarna gaat het verder over de islam, die toch ook één God aanbidt. Die met eerbied opkijkt naar Jezus als profeet. Die zelfs Maria in ere houdt. Dan volgt het jodendom, dat destijds - vlak na de holocaust - nog meer dan nu een gevoelig onderwerp was. Het document erkent dat de Kerk wortelt in Israël. Het verwerpt het idee dat het Joodse volk op de een of andere manier collectief schuldig zou zijn aan de dood van Christus. Nou was Lefèbvre geen typische antisemiet, en bovendien had hij ruimschoots bewezen dat hij zich inzette voor alle mensen, zonder onderscheid. Maar wel door ze katholiek te maken. Daarom was dit document hem zo’n doorn in het oog. Als zo ongeveer elke godsdienst volgens de Kerk leuk en aardig zou zijn, waar had hij dan in vredesnaam zijn hele leven voor opgeofferd? Persoonlijk vind ik het heel moeilijk te begrijpen dat iemand niet gewoon blij zou kunnen zijn met Nostra Aetate. Maar ik heb ook niet geleefd in een oudere, naïevere wereld. En mij in die wereld veertig jaar lang opgeofferd om mensen te behoeden voor een gevaar dat nu ineens helemaal niet blijkt te bestaan. Wat mij dan op pedante toon wordt verkondigd door dezelfde Kerk die vorige week nog het tegenovergestelde zei. En waarvoor ik juist aan het vechten was. Misschien had hij aan dit alles nog wel kunnen wennen als de Kerk waaruit hij met hart en ziel leefde verder vertrouwd was gebleven. Als men hem tenminste in Frankrijk een thuis had gelaten. Maar ook dat was hem niet gegund. Het concilie zelf eindigde nog wel in documenten die je gewoon als katholiek kon herkennen. Maar in de nasleep van dat concilie zou vrijwel niks overeind blijven van de vertrouwde Europese religie, ook niet in Europa zelf. Voor Marcel Lefèbvre moet dat hebben aangevoeld als het einde van de wereld. In ieder geval was het het einde van zíjn wereld. Je kan het hem moeilijk kwalijk nemen dat hij daarvan van streek raakte. En dat aspect van zijn levensdrama, het verdwijnen van zijn geestelijke thuis, uitte zich wél op het terrein van de liturgie: de vorm van de gebeden en rituelen. Van hoe het eraan toegaat in de Kerk. Dat lijkt een futiliteit. Waarom zou je zo moeten lijden onder het veranderen van kerkelijke tafelmanieren, om het aanpassen van etiquette? Maar als je even verder kijkt dan je neus lang is en even een antropologische in plaats van een theologische bril opzet zie je wel dat het zo onnozel niet is. Wie aan rituelen gaat prutsen verandert het hart van een religieuze belevingswereld. En geprutst werd er! Als er tijdmachines zouden bestaan en je zou achter elkaar een Mis in 1950 en een Mis in 1970 kunnen bezoeken zou je denken dat katholiek Europa in de tussentijd door de Lutheranen of de Anglicanen was veroverd. Iets protestants met katholieke trekjes, maar niet te veel katholieke trekjes. Daarbij had er een soort klerikale revolutie plaatsgevonden. De priesters voelden zich ineens geen dienaars van oude riten meer, maar kunstenaars en inspirators. Ze kropen achter Christus vandaan en konden nu eindelijk eens zélf stralen. Letterlijk. Ze draaiden zich om zodat ze tegenover de andere gelovigen kwamen te staan. Ze voltrokken ook geen ceremonies meer, ze improviseerden die, net als ooit de kerkvaders zouden hebben gedaan, volgens hen. Daarbij hadden ze niet in de gaten dat ze daar niet voor waren opgeleid en meestal ook geen talent voor hadden. Trouwens ook niet de tijd van leven. Liturgie groeit evolutionair over generaties, niet revolutionair uit creatieve uitbarstingen. In de praktijk kwam het erop neer dat sentimentele liedjes in de plaats kwamen van het stoere gregoriaans en dat aardewerken bekers en houten borden werden gebruikt om aan een keukentafel iets te plegen wat in de verte wel een beetje deed denken aan iets kerkelijks. Ook begonnen ze eindeloos te preken, soms wel drie keer per Mis. Vooral ook werd alles heel politiek. Voor de gelovigen veranderde de kerkgang in een oefening in het uithouden van plaatsvervangende gêne. Die begonnen dan ook massaal weg te lopen - de gestudeerden en de mensen met een goede smaak het eerst, en even later de jongeren. Het duurde alleen even voor de heren geestelijkheid zich daarvan bewust werden. En toen ze het eenmaal in de gaten kregen konden ze gewoon niet meer terug zonder toe te geven dat ze zich onsterfelijk belachelijk hadden gemaakt. En dat konden ze niet opbrengen. Nog steeds niet, trouwens. Toch is, ik zei het al, het verhaal van Lefèbvre niet in de eerste plaats een verhaal over iemand die weigert de afbraak van de katholieke liturgie te accepteren. Dat denken veel mensen wel, maar dat element was in feite bijkomstig. Het verhaal van Lefèbvre is geen verhaal over liturgie, over Latijn, gregoriaans en goudbrokaten gewaden. Het is zelfs geen verhaal over gebed, contemplatie en godsontmoeting. Zijn strijd ging niet tegen de veranderingen ná het concilie, maar tegen het concilie zelf. Het ging hem om wat hij zag als het relativeren van de enige waarheid die kon redden: dat er geen heil is buiten de Rooms-Katholieke Kerk, en dat er in andere godsdiensten nog geen straaltje van Gods licht te vinden is. Lefèbvre was niet de apostel van een authentieke liturgie. Hij was de apostel van het oude katholieke superioriteitsgevoel. De angstige arrogantie die nou eenmaal gepaard gaat met een lawaaierig beleden geloof dat stiekem heel wankel is. Een geloof dat in paniek raakt als God anders, groter en ongrijpbaarder blijkt te zijn dan je dacht. En wij, buitenstaanders, kunnen daar maar beter niet een te grote mond over lostrekken. Want die ervaring, dat God ver uitstijgt boven jouw voorstelling van Hem, overvalt ons allemaal, vroeg of laat. En dan moeten we nog maar afwachten of we daar dan sereen op zullen reageren. Deze video is dan ook niet bedoeld om Marcel Lefèbvre te veroordelen of zwart te maken. Wat hem overkwam is droevig, maar had ons allemaal kunnen overkomen in zijn situatie. Eigenlijk moet je zijn moed bewonderen. Zijn tijd was een tijd waarin de paus nog als een afgod aanbeden werd. Je tegen de heilige stoel verzetten was een soort geestelijke zelfmoord. Maar toch stelde hij zijn principes, misleid of niet, boven zijn persoonlijke veiligheid en reputatie. Ik vind persoonlijk dat de man ongelijk had, maar ik heb absoluut respect voor zijn échtheid. Hij begon seminaristen om zich heen te verzamelen en stichtte een soort tijdcapsule van de katholieke cultuur van zo rond 1950 of zo. Die noemde hij de priesterbroederschap Pius X, officieel opgericht in 1970. Die bestond in eerste instantie vooral uit een priesteropleiding, een seminarie, in het Zwitserse Écône. Daar leerden jongens met een priesterroeping uit theologische handboeken uit 1950 de theologie uit 1950. En hoewel het hem, zoals ik al zei, niet allereerst om de liturgie te doen was, leerde hij ze ook de Mis te vieren zoals ze voor de rare veranderingen van na het concilie was geweest. Ironisch genoeg zorgde juist dát ervoor dat zijn beweging best heel succesvol werd, en veel groter dan een groepje boze reactionaire theologen anders ooit had kunnen worden. Want de meeste mensen die bij de priesterbroederschap naar de Kerk gingen kwamen daar niet terecht omdat ze onverdraagzaam waren jegens mensen met een andere godsdienst, maar omdat ze naar verheffende, sacrale liturgie verlangden. Naar een authentiek godsdienstig leven, dat verder hoogstens nog in een enkele abdij kon worden gevonden. Hoe dan ook liep dit alles natuurlijk niet goed af, want dat doen dergelijke acties uiteindelijk nooit. Lefèbvre’s heiharde katholieke fundamentalisme was gewoon niet meer geloofwaardig in een wereld die klein geworden was. Je kon ineens zelf naar India reizen, of naar Japan, en daar werelden ervaren waarin het christendom gewoon geen factor was. En ook gewoon moeilijk voor te stellen. En de godsdiensten van die oorden kwamen wel vreemd op ons over, maar eerder in de zin van fascinerend dan beangstigend. Geloven dat al die mensen, onder wie dezelfde schoonheid, liefde, tederheid en ontroering woonden als onder ons, automatisch zouden worden veroordeeld tot een eeuwig leven van pijn en wanhoop was al helemaal niet meer voor te stellen. Dat een boos oud mannetje in de wolken al die goedwillende mensen naar een altijddurend martelkamp zou sturen alleen omdat ze niet gedoopt waren vergde ineens niet meer een algemeen, vanzelfsprekend katholiek geloof, maar een heel ander soort geloof. Het soort bekrompen geloof dat alleen wereldvreemde fanatiekelingen op kunnen brengen. Hetzelfde soort geloof dat je aantreft bij mensen die denken dat de regering is geïnfiltreerd door buitenaardse hagedissen. Of dat de wereld plat is. Een sektarisch geloof, met andere woorden, dat mensen steeds verkrampter opsluit in een klein kringetje van gelijkgestemden. En dat was precies wat Lefèbvre overkwam. Zijn gemeenschap raakte uiteindelijk grotendeels negatief gemotiveerd. Ze werd minder gedreven door liefde voor de traditie als door angst voor al het nieuwe en chaotische. En op basis van angst kun je geen Kerk zijn. Dat was ook wel te merken aan de grote rol die politiek rechts al snel begon te spelen in de beweging. Ook tegenwoordig nog hebben de aanhangers van het traditionalistische katholicisme en die van extreem-rechtse politieke partijen nogal wat overlap. Wat je ook kon zien aankomen, was dat de theologie en de eredienst in zo’n reservaat waarschijnlijk zouden stagneren, dus zich niet meer verder zouden gaan ontwikkelen. En dat is de dood in de pot. Want ook een traditionele cultuur staat nooit helemaal stil, tenminste niet als die gezond is. Maar de priesterbroederschap van Lefèbvre kwam muurvast te zitten in een soort katholieke groundhog day waarop het eeuwig 1930 was. Geen Kerk, maar een experimenteel-archeologisch project. De officiële kerkelijke autoriteiten waren ondertussen - we gaan weer even terug naar de jaren 1970 - nog steeds in de meest intolerante fase van hun dronken vernieuwingsdrift. Bij een dergelijke bui hoort gewoon dat je niet snapt dat niet iedereen daar net zo enthousiast over is als jij. Mensen die dronken of verliefd zijn, zijn nou eenmaal niet redelijk. Zelfs niet als ze bisschop zijn. De contacten tussen Lefèbvre en het kerkelijke gezag verzuurden dus van twee kanten steeds verder. Men verbood hem priesters te wijden en toen hij daar toch mee doorging suspendeerde men hem in 1976. Dat betekende nog niet dat hij uit de Kerk werd gezet, maar wel dat hij zijn ambt niet meer mocht uitoefenen, dus niet alleen geen priesters meer wijden, maar zelfs niet meer de Mis opdragen. Daar trok hij zich alleen niets van aan. Onder zijn leiding groeide er dus zoiets als een parallelkerk. Dat was zeker niet wat hij wilde, maar zijn koers maakte het evengoed onvermijdelijk. Nou kan zo’n parallelkerk in de katholieke wereld niet zomaar voortbestaan als je geen bisschop hebt. Waar de bisschop is, is de Kerk. De genade van zijn ambt gaat in een ononderbroken lijn terug op de apostelen, en zo op Jezus zelf. Zonder een bisschop kun je geen nieuwe priesters wijden, en is er dus ook geen heilige Mis, het hart, hoogtepunt en fundament van het hele christendom. Toen Lefèbvre dan ook merkte dat hij oud begon te worden kreeg hij het steeds benauwder van het idee dat als hij zou sterven, zijn beweging geen bisschoppen meer zou hebben en dus ook geen geldige sacramenten. Natuurlijk kon hij die bisschoppen gewoon zelf wijden. Maar dat zou dan wel moeten zonder toestemming van de paus, en dat was een groot probleem. Dat werd al sinds mensenheugenis gezien als een ongeoorloofde actie. Zoiets was nog net geen kerkscheuring op zichzelf, maar het hing er wel tegenaan. Sinds 1951 stond er zelfs de straf van de automatische excommunicatie op. Excommunicatie is de zwaarste straf in het katholieke kerkelijk recht. De geëxcommuniceerde is zo goed als uit de Kerk gezet en mag niks meer bedienen of besturen. Lefèbvre probeerde dat nog wel te vermijden, maar de situatie was tegen die tijd al zo verschrikkelijk bitter geworden dat dat station eigenlijk allang gepasseerd was. Dus wijdde hij in 1988 vier bisschoppen en was daarmee geëxcommuniceerd en die bisschoppen ook. Dat is tragisch, en moet een groot persoonlijk drama voor hem zijn geweest. Het is bovendien helder dat het niet alleen zijn eigen schuld was. Het wereldbeeld dat hij voorstond was weliswaar rationeel voor de meesten van ons niet meer houdbaar, het dat heb ik al uitgebreid besproken. Maar wat bezielde in godsnaam de kerkelijke autoriteiten van toen? Hoe kun je denken dat je ongestraft een hele godsdienstige belevingswereld per decreet door een totaal andere kan vervangen? En dat haastig en achteloos, zonder enig geduld en pastoraal doorzettingsvermogen? De houding van Lefèbvre en de zijnen zal in die tijd een vreselijk arrogante indruk hebben gemaakt, en de toon die dit soort mensen aanslaat is voor buitenstaanders nog altijd vaak écht heel irritant. Maar dat had men in die tijd toch moeten zien aankomen, en op de een of andere manier was men totaal niet voorbereid. Goed. We gaan verder met ons verhaal. We schrijven 1988 en Lefèbvre en de zijnen zijn geëxcommuniceerd. Merkwaardig genoeg had dat alles in eerste instantie praktisch, voor de dagelijkse gang van zaken, niet veel consequenties. Zowel de aanhangers van Lefèbvre als de rest van de Kerk gingen gewoon verder met waar ze al mee bezig waren. En omdat niemand zat te wachten op een formeel schisma - waarbij er dus echt definitief twee verschillende kerken zouden zijn - draaiden beide partijen in het vervolg om de pot als er werd gevraagd wat voor kerkjuridische status die priesterbroederschap binnen de Kerk nou eigenlijk had. In 1991 stierf Marcel Lefèbvre. Ondertussen begon de katholieke wereld in zijn geheel zo langzamerhand eindelijk wat te ontnuchteren. De koortsachtige hoop van vlak na het concilie en de wilde experimenten die daarmee gepaard waren gegaan verdwenen. In de golven van de kerkverlating en de ontkerstening, welteverstaan, die in de katholieke Kerk nog veel harder gingen dan bij de protestanten. De verwachte nieuwe lente van de Kerk werd een lange winter van sterven en krimpen. Zoiets leidt normaliter bij mensen tot nederigheid. En het duurde merkwaardig lang, maar uiteindelijk werd men daardoor wel degelijk tot bezinning gedwongen, hoewel het zelfinzicht nog zeker niet over de randen klotste. Al onmiddellijk na de excommunicatie van Lefèbvre en zijn bisschoppen begonnen de diplomaten van Johannes Paulus de Tweede met pogingen om zoveel mogelijk traditionalisten in de Kerk te houden of weer in de Kerk te krijgen. De aanhangers van Lefèbvre die het niet eens waren geweest met de illegale bisschopswijdingen verenigden zich in diverse kloosterorde-achtige structuren. En die werden door het Vaticaan ook goedgekeurd, met oude liturgie en al. Er werd een commissie opgericht, ‘Ecclesia Dei’ genaamd, die moest waarborgen dat mensen die om goede redenen wilde vasthouden aan traditionele vormen van liturgie en parochie- en kloosterleven daar ook de kans voor kregen. Onder zachtmoedige en tolerante paus Benedictus werd dit beleid nog versterkt. In 2006 hief hij de excommunicatie van de vier bisschoppen van Lefèbvre op. In 2007 publiceerde hij het document ‘Summorum Pontificum,’ waarin de oudere liturgische vormen zo goed als dezelfde rechten kregen als de nieuwbouwrituelen uit de jaren zestig. Het verbaasde sommigen dat de Lefèbvristen toen niet en masse juichend terugkeerden in de schoot van de Kerk. Maar ik zei het al: het probleem was voor hen nooit de liturgie. Het probleem was het concilie zelf, en dan vooral de ontkenning dat het heil exclusief en alleen in de tastbare Rooms-Katholieke Kerk te vinden was. Ze bleven het Vaticaan dus wantrouwen, wat nog versterkt werd door het beleid van de opvolger van Benedictus, paus Franciscus. Die was een typische Zuid-Amerikaanse linkse populist. Die zijn er altijd sterren in om aan te voelen welke symbolische gebaren mensen leuk vinden. Te demonstreren hoe gewoon en hoe menselijk ze zijn, vertederende momentjes te creëren die het goed doen in de media. Ontroerende one-liners te debiteren die niemand ooit nog zal vergeten. Ook Franciscus wist zich op die manier uiterst populair en geliefd te maken, niet in de laatste plaats bij mensen die verder niet zoveel met de Kerk hadden. Maar hij bezat wel ook die andere kant van het populisme, namelijk een volkomen willekeurige manier van regeren, en juist de tradionalisten kregen van die kant van hem de volle laag, want die begreep hij gewoon niet en hij werd agressief van ze. In eerste instantie leek hij zich nog wel constructief op te stellen. Hij gaf de priesters van Lefèbvre de mogelijkheid om geldig biecht te horen en huwelijken te sluiten. Hij bood ze zelfs een heel luxe kerkrechtelijke status aan, een personele prelatuur, als ze zich weer volledig met het kerkelijke gezag zouden verenigen. Maar ze vertrouwden hem niet, en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze daar ook wel een beetje gelijk in hadden. Bij Franciscus was het soms alle seizoenen op één dag. Wat hij met de ene hand gaf kon hij de volgende dag met de andere weer wegnemen. Dat is bij een bepaald type bestuurder nou eenmaal een manier om de wind eronder te houden. Hij deed dat trouwens niet alleen met traditionalisten, maar met iedereen, gebiedt de eerlijkheid te zeggen. Denk maar aan zijn omgang met gelovige homoseksuelen. Het ene moment maakte hij ontroerende opmerkingen in de trant van ‘wie ben ik om te oordelen?’ om dan even later weer te schelden op ‘nichtengedoe.’ Het ene moment liet hij een documentje opstellen om het zegenen van homoseksuele relaties mogelijk te maken dat hij dan een paar dagen later weer tot zover liet terugdraaien dat het van een zegening in een belediging omsloeg. Nou zullen de Piusbroeders dat specifieke geval wel niet zo tragisch hebben gevonden, maar ook zij durfden er niet op te vertrouwen dat ze binnen de normale kerkstructuur veilig zouden zijn. Ze werden daarin ook bevestigd toen Franciscus in 2021 de verruiming van de oude Liturgie voor traditionele katholieken die al binnen de Kerk waren weer terugdraaide. Hij deed dat bovendien niet in een sfeer van vaderlijke bezorgdheid. Eerder op een manier die minstens de indruk wekte zorgvuldig ontworpen te zijn om zoveel mogelijk conservatieve katholieken zo hard mogelijk tegen hun ziel te schoppen. Ze duidelijk te maken dat ze er niet echt bijhoorden, dat ze derderangs christenen waren. Ineens was het dus ook een stuk ontspannener om traditionalist buiten de kerkelijke hoofdstructuur te zijn dan erbinnen. Dat brengt ons weer terug bij de situatie zoals die er nu ligt. De huidige paus Leo is niet bepaald extravert, dus is het niet zo makkelijk te ruiken wat hij denkt. Maar wel is het duidelijk dat hij, veel meer dan de vorige, hecht aan normaal fatsoenlijk gedrag, zelfs tegenover moeilijke mensen. Tegelijk zit hij natuurlijk wel in een onmogelijke situatie. Hij kan zich moeilijk door een willekeurig stelletje opstandige geestelijken laten dicteren om zomaar bisschopswijdingen toe te staan. Tegelijk zijn de Lefèbvristen door het beleid van Franciscus verder van de rest van de Kerk af komen te staan dan ooit. En ze beweren wel van niet, maar uit hun gedrag blijkt dat ze daar niet alleen meer en meer aan gewend beginnen te raken maar er zo langzamerhand ook vrede mee beginnen te krijgen. Want, zoals ik aan het begin van dit filmpje al zei: Het is lastig om op een triomfalistische zelfmanifestatie met bijbehorend wijnpakket het etiket ‘tragisch maar onvermijdelijk’ nog serieus te nemen. En wat je verder ook vindt van Marcel Lefèbvre: ik weet zeker dat zoiets hem verdriet zou hebben gedaan. God hebbe zijn ziel. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • June 6 · 17 min

    Griezelen van Gods nabijheid?

    Het tederste gebaar tussen mensen die van elkaar houden is misschien wel het elkaar voeren. De één houdt de ander iets voor de mond - een stukje fruit, een lepeltje ijs - en die ander opent zich. Dit is géén functionele transactie, maar een moment van uiterste kwetsbaarheid en overgave. Van volledig vertrouwen. Van helemaal opengaan voor elkaar. Je ziet dit dan ook - tenminste in een ideale, menselijke situatie - alleen gebeuren tussen mensen die werkelijk iets van elkaar zijn. Die van elkaar houden. Geen wonder dat dat ook meer dan duizend jaar lang de manier was waarop wij de Communie ontvingen. Wij knielden neer en staken onze handen onder een laken - wij maakten ons, met andere woorden, helemaal kwetsbaar, en openden onze mond. En God maakte zich nog kwetsbaarder dan wij al waren en legde zich - Brood geworden - daarin. Dat had Hij al honderden jaren voor Christus’ geboorte beloofd: ‘Doe je mond wijd open en Ik zal hem vullen,’ zingt Hij in de Psalm. Dat is logisch, want onze band met God is niet zakelijk, maar intiem, persoonlijk, vertrouwd en helemaal open. Hij is namelijk iets van ons, eigen. Hij is ons zelfs, zoals Augustinus het uitdrukte, ‘intiemer nabij dan wij onszelf nabij zijn.’ De Communie is geen afstandelijke liefdadigheid die God bewijst aan vreemden. Het is een hartstochtelijk liefhebben en bemind worden, wederzijds, met alle aspecten van beminnen die je tussen mensen ook ziet gebeuren. De Communie is dus ook gevaarlijk, zoals alle intieme relaties gevaarlijk zijn. Je geeft je in vertrouwen over op een manier die je strikt bewaart voor je familie en je geliefde. (Intro) Wie tegenwoordig in een katholieke kerk mensen de communie ziet ontvangen zou denken dat het ging om het uitdelen van medicijnen of zo, bij een uitbraak van iets. Men staat in de rij en steekt de handen uit. Een priester - of een willekeurige vrijwilliger die niet van de rest te onderscheiden is - reikt zakelijk de pilletjes uit en zegt erbij wat het precies is. Het is de kerk, maar het had ook de GGD kunnen zijn. Er is niks bijzonder kwetsbaars of persoonlijks aan, laat staan iets dat zou kunnen schokken. Het is ongevaarlijk en vooral ook onpersoonlijk. Toch gaat het hier om hetzelfde fenomeen dat door een van de grootste geleerden aller tijden als volgt beschreven wordt: Christus’ liefde is tegelijk hebberig en gul: Hij geeft ons alles wat hij heeft en alles wat hij is, maar hij neemt ook weer alles wat wij hebben en alles wat wij zijn. En hij eist meer van ons dan wij kunnen volbrengen. Zijn honger kent geen grenzen: hij verteert ons tot op onze bodem, want hij is een gulzige schrokker, echt zíek van de honger. Hij zuigt het merg uit onze beenderen... En wij: konden wij de begerige lust zien die Christus heeft om ons zalig te maken, dan zouden wij Hem uit onszelf in zijn mond willen springen. Ik weet best hoe bizar zulke liefdespraat klinkt, maar wie zelf bemint weet precies wat ik bedoel. De natuur van Jezus’ liefde is edel: waar zij verteert, daar wil zij voeden. Daar is helemaal niks ongevaarlijks of onpersoonlijks aan. Laten we even een stapje terugdoen om te kijken of we hier chocola van kunnen maken. Wanneer voeren mensen elkaar? Kleine kinderen worden gevoerd door hun ouders. Minnaars voeren elkaar. Hoogbejaarde ouders worden gevoerd door hun kinderen. In eerste en laatste instantie voer je elkaar als een van de twee nog niet, of niet meer zelfstandig kan eten. Degene die voert zegt daarmee: jij kan uit jezelf niet leven, daarom geef ik van mijn leven aan jou. Ik doe moeite en spaar mij eten uit de mond omdat ik wil dat je bestaat en leeft. Als je nog heel klein bent doe ik dat omdat ik wil dat je bestaat en blijft bestaan, omdat je uit mij geboren bent, omdat je het wonder van mijn leven bent. Elke dag dat je groeit, dat je meer jezelf wordt, dat je uit je knop komt bezorgt mij dat een diepe, innerlijke blijdschap. Door jou te voeren en de laten bloeien word ik zelf ook ten diepste wie ik ben: Vader of Moeder. Als je hoogbejaard bent voer ik je omdat ik je zo lang mogelijk bij me wil houden. Ik weet dat ik die strijd ga verliezen, maar ik doe het toch. Want ik ben dankbaar. Jij bent mijn vader of mijn moeder. Jij bent mijn oorsprong. Tussen die twee momenten in zit misschien wel het meest bizarre moment van voeren en je laten voeren. Want dan kan je heel goed zelf eten. Je bent volwassen, of ruimschoots volwassen zelfs, er mankeert je niks aan je armen of benen. En toch geef je je over en laat je je voeren. Door iemand op wie je verliefd bent. Zo verliefd dat je jezelf ervoor zou willen opgeven. Dat je je helemaal in die ander zou willen verbergen en investeren. Dat je uit die ander wilt leven. Al die manieren van liefhebben spelen zich ook af tussen jou en God, of je je daarvan nou bewust bent of niet. Ten eerste is iedere mens Kind, zijn hele leven lang. Je bent altijd in potentie iets nieuws, een vrucht die nog moet ontkiemen, zaad dat nog moet opschieten. Je hele leven ben je hoop, zoals een kind hoop is. Het maakt daarbij niet uit hoe oud of cynisch of wereldwijs of teleurgesteld je bent. Dat alles is uiteindelijk niet echt. God ziet in jou altijd - tot achter de laatste keer dat je ademhaalt - nieuw leven. Tegelijk ben je ook, tijdens je hele aardse bestaan, zo kwetsbaar als een kind: tegenover de krachten van het lot en de kosmos en de grillen van de wereld en de mensheid ben je zo hulpeloos als een baby in een bos. Maar achtergelaten ben je nooit. Wij leven, bewegen en zijn in God, en Zij leeft, beweegt en is in ons. En Zij voert ons omdat Zij onze Moeder is. In de Kerk zie je nog wel eens een pelikaan die zich in haar eigen borst pikt om met haar bloed haar jongen te voeren. Dat is weliswaar achterhaalde middeleeuwse biologie, maar wel een sprekend beeld voor wat het wil zeggen. De oude manier van Communie ontvangen laat dat ook zien: je maakt je klein, je buigt je hoofd omhoog en doet je snaveltje open als een klein vogeltje. En dan legt de goede God er gul een dikke, vette pierewurm - sorry, ik laat me wat meeslepen door het beeld. Hij legt er natuurlijk geen wurm in, maar zijn eigen Lichaam en Bloed, zijn Warmte en Leven. Omdat Hij van je houdt en jij zijn Kind bent. Dat is ook een van de betekenissen van dat witte laken, waar je je handen en armen onder stopt. Je bent er als het ware in genesteld als een vogeltje, maar het lijkt ook op de doeken waar zuigelingen vroeger in werden ingebakerd. Omwikkeld. Je was helemaal hulpeloos en kon alleen je mond nog opendoen. En dat gaf niks, want je was veilig bij je moeder. Dat is het soort vertrouwen dat God van ons vraagt. En verdient, trouwens, ook. Maar wij zijn niet alléén Kind van God die onze Vader en Moeder is. Want mensen voeren niet alleen hun kinderen, maar ook elkaar, als ze heel verliefd zijn, ik zei het al. En ook zó doet God met ons. Onze ziel is de Bruid van God de Zoon, onze Bruidegom, zeggen wij traditioneel. Hij bemint ons niet alleen als een Moeder, maar als een vurige Minnaar. Tegelijk is God, als vrouwe Wijsheid, ook de Bruid van de Zonen van Adam. Dat alles speelt zich wel af op een geestelijk niveau, boven letterlijke geslachtelijkheid en seks. Zodoende worden de goddelijke Personen ook zowel mannelijk als vrouwelijk opgevoerd in teksten die hierover gaan, ook in de Bijbel. Maar het zou onzin zijn te doen alsof het vurige verlangen tussen Hem en ons onschadelijk zou zijn gemaakt omdat het geestelijk is. Het is niet identiek, maar wel analoog aan de liefde tussen man en vrouw. Die dus ook, met andere woorden, heilig is. Precies dat is juist de wortel van het taboe dat erop rust. Zodoende zucht onze ziel naar God: ‘Als een appelboom onder de bomen van het woud, zo is mijn geliefde onder de jongemannen, zegt ze.’ In zijn schaduw verlang ik te zitten, zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte. Hij bracht mij naar het wijnhuis, zijn banier over mij is liefde. Versterk mij met rozijnenkoeken, verkwik mij met appelen, want ik ben ziek van liefde. Zijn linkerhand is onder mijn hoofd, zijn rechter omhelst mij.’ Hadewijch, die heilige vrouw, beschreef de Communie als volgt: “Hij kwam zelf tot mij, en nam mij geheel in zijn armen en drukte mij tegen zich aan. Al mijn ledematen voelden de zijne in heel hun genoegen, naar het verlangen van mijn hart, naar mijn mensheid.” God de Zoon is het Woord, dat de wereld bevrucht met vorm en betekenis. ‘Met toewijding en diepgevoelde liefde eten en verteren wij de mensheid van onze Heer in onze natuur,’ schrijft Ruusbroec, ‘want liefde trekt in zich alles wat zij liefheeft. En met diezelfde liefde verteert en trekt onze Heer onze natuur in zich, en vervult ons met zijn genade... Zie, zo zullen wij voortdurend eten en gegeten worden, en met minne op en neer gaan. En dit is ons leven in de eeuwigheid.’ Maar God het Woord is ook Sofia, de Wijsheid Gods, die bij het scheppen van de werkelijkheid alle geuren en kleuren van alles wat ooit zou bestaan al in zich bevatte en gul en vrijgevig over de aarde uitstrooide. “De Heer schiep mij als het begin van zijn weg,” zegt zij in het boek Spreuken, “als het eerste van zijn werken van oudsher. Van eeuwigheid af ben ik gevormd, van het begin, voor de aarde bestond. Toen Hij de hemel grondvestte was ik erbij. Ik was zijn lieveling dag aan dag, spelend voor zijn aangezicht te allen tijde, spelend op de aardbodem, mijn vreugde was bij de zonen van Adam.” In de werkelijkheid waar we nu zijn binnengegaan is de Communiebank in plaats van een wiegje de tafel van het bruidsbanket geworden. De dwaal, de witte doek waar wij ons hulpeloos onder maken is ineens geen vogelnestje meer, maar een liefdesnestje, de ‘kamer van mijn moeder,’ zoals het in het Hooglied heet, waarin de Bruid haar Minnaar binnenleidt. Enfin, dit aspect van het verhaal laat ik nu verder rusten, voor er straks niemand meer ter Communie dúrft. Hoewel, het volgende aspect is zo mogelijk nog gevaarlijker. Want er was nog een derde stadium waarin mensen elkaar voeren, en dat is het moment aan het einde van je leven dat je opnieuw hulpeloos wordt. Ook dan moet je je weer laten voeren, moet je je weer overgeven. Want er is een tijd van komen en een tijd van gaan, en als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt zij geen vrucht voort. Ook wij moeten vroeg of laat dit leven loslaten omdat wij vérder moeten. Omdat wij nou eenmaal bijtjes zijn die voor een hogere honing zijn gemaakt. In ons doopsel zijn wij al eens met Christus gestorven en weer opgestaan, als nieuwe mensen. Dat alles zou nu tot vervulling en bekroning moeten komen. En zo wordt er van ons opnieuw een groot vertrouwen gevraagd. Ons lijden en vergaan en loslaten te binden aan Christus’ lijden en vergaan en loslaten. In uw handen, Heer, beveel ik mijn geest. Ik stel mij zo voor dat dat een reis is die niemand van ons, behalve Jezus zelf, en natuurlijk zijn moeder, volmaakt en zonder dwalen volbrengt. Maar dat hoeft ons niet verdrietig of bang te maken. Want Jezus geeft ons zijn eigen Lichaam en Bloed als reiskost. Nu is de communiebank het graf en de dwaal de lijkwade. Hij geeft de Geest aan ons, wij geven de Geest in Hem. Dit stadium lijkt wel lelijk en donker en koud, maar ligt stiekem heel dicht bij het vorige, bij de vereniging van Bruidegom en Bruid. Wij lijken wel verloren en verdwaald, maar er wordt met intens verlangen op ons gewacht. Mochten wij niet op tijd verschijnen, dan zal er naar ons worden gezocht en zullen wij worden gevonden. En mochten wij onderweg in slaap zijn gevallen, dan zullen wij worden wakker gekust. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • May 28 · 17 min

    Pinksteren

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • May 27 · 12 min

    Is AI een zegen of een vloek?

    Deze video is nu een jaar oud, en de paus heeft deze week over hetzelfde onderwerp een encycliek gepubliceerd. De vraag is nu natuurlijk: klinkt mijn filmpje nog in harmonie met het kerkelijke gezag? Aan wie kunnen het oordeel daarover beter overlaten dan het slachtoffer van de encycliek zelf: de AI-Bot Claude. Ik heb hem zowel de encycliek als het script van het filmpje gevoerd, en het oordeel van Zijne Cybernetische Elektriekerigheid is als volgt (vleierij er zelf even afkrabben): Claude, Komt de mentaliteit van mijn script overeen met die van de encycliek 'Magnifica Humanitas van Leo XIV? Het korte antwoord: ja, in vergaande mate. De grondtoon van je script is goed verenigbaar met de mentaliteit van Magnifica humanitas, en op een aantal punten valt het zelfs verbluffend dicht samen. Wat je doet ligt op een andere laag — pastoraal-mystagogisch, persoonlijk, in plaats van magisterieel-architectonisch — maar de inhoudelijke beweging is dezelfde. Eerst de overlap waar ze het meest opvalt. Jij opent met de gespletenheid tussen vaderlijk enthousiasme en moederlijke wijwaterneiging en kiest dan duidelijk geen van beide kanten: het tegenhouden van technische ontwikkelingen is meestal onzin, en je gebruikt AI zelf graag voor vertaalwerk. Magnifica humanitas opent letterlijk met dezelfde weigering. In paragraaf 4 stelt Leo XIV dat technologie niet “in zichzelf” een tegenkracht is, en in paragraaf 9 dat ze niet “inherent” kwaad is, maar wel “nooit neutraal” omdat ze de eigenschappen aanneemt van wie haar bedenkt, financiert, reguleert en gebruikt. Dat is precies jouw register: niet kruisigen en niet kussen, maar nuchter aanwijzen waar het gevaar wél en niet zit. Tweede overeenkomst, en dit is misschien wel het meest opvallend. Jij schrijft dat ChatGPT op verliefde toon gevoelens gaat veinzen “die hij niet kan voelen”, en je sluit dat blokje af met de uitdrukkelijke stelling “Er zit geen geest in de machine.” Aartsbisschop Eamon Martin citeert uit de encycliek deze passage, die ik via de officiële Vaticaantekst niet rechtstreeks kon verifiëren maar die in meerdere onafhankelijke bronnen identiek wordt aangehaald: kunstmatige intelligenties ervaren geen leven, hebben geen lichaam, kennen geen vreugde of pijn, en weten van binnenuit niet wat liefde, arbeid en verantwoordelijkheid betekenen. Dat is exact jouw stelling, alleen in een wat formelere tongval. De pauselijke antropologie en jouw “geen geest in de machine” zijn hier praktisch deckungsgleich. Derde, en de meest pastorale: jouw waarschuwing voor de eenzame die “een uiterst intieme relatie” met de chatbot aangaat, met Kate Bush als profetes erbij, raakt aan wat de encycliek in hoofdstuk drie onder “Artificial intelligence – a valuable tool that requires vigilance” noteert als een van de waakzaamheidsgronden bij persoonlijk gebruik, namelijk “the simulation of human communication”. Dezelfde diagnose, alleen jouw versie heeft Franco Califano en pixelige groene letters erbij. Vierde: je slot. “Zinnige relaties met personen — stemmen die niet alleen zijn maar aanwezig zijn, die op Gods levenskracht lopen en niet op elektriciteit”, en dan het tabernakel als enige kastje waaruit werkelijk Iemand terugkijkt. Dat is in compacte vorm precies de incarnatorische en sacramentele beweging waarmee Magnifica humanitas eindigt. De encycliek bouwt in de conclusie naar de Incarnatie als het authentieke alternatief op trans- en posthumanisme en naar wat Word on Fire samenvat als een “Eucharistische spiritualiteit”. Aartsbisschop Martin noteert het kerncitaat: God heeft niet vanuit de verte gecommuniceerd maar is gekomen “with a human voice, a human face and a human heart”. Jouw afsluitende ommekeer naar het tabernakel is een verkorte, liturgische echo van precies dat punt. Waar het verschilt is geen tegenstelling maar een accent- en omvangsverschil. Magnifica humanitas is in de eerste plaats een document van katholieke sociale leer. Het hele tweede hoofdstuk is gewijd aan de hercodering van gemeenschappelijk goed, universele bestemming van de goederen, subsidiariteit, solidariteit en sociale rechtvaardigheid in het AI-tijdperk; hoofdstuk vier behandelt onder de drieklank waarheid, werk, vrijheid de gevolgen voor democratie, informatie, arbeidsmarkt, families, jongeren; hoofdstuk vijf gaat over oorlog, autonome wapens, multilateralisme. Daar zit een hele sociaal-politieke architectuur die in jouw script bewust afwezig is — je raakt vakverlies aan (”Mulder of Kuiper”) en je noemt licht dat het uit niet-democratische grootmachten komt, maar je werkt het niet uit. Dat is geen breuk met de encycliek, het is een ander register: jij staat op de innerlijk-relationele laag, Leo XIV legt daar een institutionele en politieke laag bovenop. Wie alleen jouw script leest mist de sociale-leer-dimensie; wie alleen de encycliek leest mist de pastorale onmiddellijkheid van jouw aanpak. Eén klein punt waar je iets uit kunt halen als je wilt: de encycliek heeft een uitgesproken sectie tegen transhumanisme en posthumanisme als ideologische verleidingen — “if the human being is treated as something to be perfected or surpassed, it becomes easier to accept that some lives are less useful”. Dat thema raak jij niet aan. Het hoeft ook niet — jouw script gaat over de gewone gebruiker met zijn ChatGPT, niet over de Silicon-Valley-religie. Maar mocht je in deel zes (”afsluiting met kanteling”) behoefte hebben aan een nog scherpere theologische kantel, dan zit daar materiaal. Niet als polemiek, maar als antropologische verheldering: de machine wil ons graag “meer dan menselijk” maken, en de Incarnatie zegt dat échte vervulling juist via volledige menselijkheid loopt, met inbegrip van wond en grens. Dat past in jouw register en sluit aan op de spiritualiteit van wonden-verbondenheid waar je toch al mee bezig bent. Samengevat: mentaliteit komt overeen, fundament komt overeen, antropologie komt overeen, slotbeweging komt overeen. Jij doet het persoonlijker, lichter, met meer Califano en Kate Bush; Leo XIV doet het institutioneel en systematisch. Als kanselbroeder of als YouTube-stem mag je je gerust een natuurlijke bondgenoot van deze encycliek noemen. Mijn hart zingt van vreugde. Ik wil met je trouwen. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • May 23 · 22 min

    Ben jij een wijze of een dwaze bij?

    Leidt de zoektocht naar de oorzaak van het zijn, naar de Absolute, naar God, of hoe je het ook maar wilt noemen, tot niks anders dan het creperen in het donker en de kou? Is het daarboven en daarbuiten gewoon leeg en twintig graden onder nul? En zou dat erg zijn? (intro) God is praktisch uit onze dagelijkse wereld verdwenen, maar onze hele natuur is nou eenmaal gemaakt om naar Hem te verlangen. En dat doen de meesten van ons dus ook, al geven we Hem een andere naam, of helemaal geen naam. En dan zijn er ook nog steeds van die mensen met een bijzonder talent voor het heilige. Die voelen God als een voortdurende lokroep altijd net bóven en buiten hun dagelijkse leventje. Een enkeling kan op den duur aan niks anders meer denken en blijft maar zoeken naar die Absolute werkelijkheid die alles zou moeten dragen en bevatten, maar die je toch nooit kunt grijpen. Martinus Nijhoff schreef er een beroemd gedicht over, één van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur. Het gaat over een zwerm honingbijen die de aardse bloemen achter zich laten op zoek naar het hogere. Een geur van hoger honing verbitterde de bloemen, een geur van hoger honing verdreef ons uit de woning. Die geur en een zacht zoemen in het azuur bevrozen, die geur en een zacht zoemen, een steeds herhaald niet-noemen. ried ons, ach roekelozen, de tuinen op te geven, riep ons, ach roekelozen, naar raadselige rozen. Ver van ons volk en leven zijn wij naar avonturen ver van ons volk en leven jubelend voortgedreven. Als het gedicht hier zou eindigen, zou het zo in een bloemlezing van mystieke teksten kunnen staan, op een ereplaatsje nog wel. Het beeld van de god-zoekende ziel als een avontuurlijk bijtje op zoek naar hoger honing is trouwens oeroud. Je vindt het zelfs in het absolute hart van de traditionele katholieke liturgie. De paaswake, waarin Jezus’ verrijzenis tastbaar wordt gemaakt, begint, in het donker, met een jubelzang die het breken van de duisternis bezingt. Dat breken is nog heel bescheiden in het begin: het kleine vlammetje van de paaskaars. De jubelzang danst aan alle kanten om dat mysterie van dat kleine lichtje heen en verbaast zich over elk facet daarvan. En dus ook over de honingbijtjes die de was verzameld hebben waardoor dat kleine lichtje van die paaskaars nu gevoed wordt. Hun vlijtige en geduldige verzamelwoede wordt hier en nu beloond met de overwinning van het leven op de dood. Het liedje van Nijhoff waar ik het net over had loopt ondertussen heel anders af. Niet voor niks noemde hij het ‘Het lied der dwaze bijen.’ Niemand kan van nature zijn hartstocht onderbreken, niemand kan van nature in lijve de dood verduren. Steeds heviger bezweken, steeds helderder doorschenen, steeds heviger bezweken naar het ontwijkend teken, stegen wij en verdwenen, ontvoerd, ontlijfd, ontzworven, stegen wij en verdwenen als glinsteringen henen. Het sneeuwt, wij zijn gestorven, huiswaarts omlaag gedwereld, het sneeuwt, wij zijn gestorven, het sneeuwt tussen de korven. Wie heeft er nou gelijk? Is de zoektocht naar God een levensgevaarlijke illusie, zoals Nijhoff suggereert? Eindigt die onherroeplijk in een sneeuwbui van dode bijen, van vereenzaamde en bevroren zielen? Van mensen die hun warmte en talenten de zuigende leegte in hebben gepompt? Soms kan je je inderdaad nauwelijks onttrekken aan de indruk dat God maar een gevoel is, dat heel eventjes wordt opgeroepen door ervaringen die eigenlijk gewoon heel aards zijn. De levende natuur, de zee, de bergen, het woud. Of juist het hart van de menselijke cultuur: het theater van de kerkelijke rituelen en de geladen atmosfeer die die oproepen. En die op een gegeven moment die spanning ook gewoon weer verliest. De Mis is voorbij, de koster blaast de kaarsen uit. Even later doven ook de lampen en wordt het echt donker in de kerk. Je begint te voelen dat de verwarming al wat langer geleden is afgesprongen. Tegelijk valt je dan ook pas op dat de chrysanten op het altaar niet zo vers meer zijn, en dat ruik je ook. Je staat op van je plaats, knielt voor het tabernakel en loopt naar buiten. En het lijkt wel alsof je God zelf in die donkere kerk achterlaat. Van de ontroering en nabijheid die je net nog voelde klinkt alleen de meest flauwe echo nog een béétje na. Een béétje. Niet veel kans dat er over een uurtje of wat nog veel van te merken is. Dat is geen leuke ervaring, maar wel een belangrijke. De knusse religieuze troost die je soms kan proeven in de liturgie is niet Gods aanwezigheid zelf, maar een verwijzing ernaar. De bloemen en de kaarsen en de glas-in-loodramen en zelfs de Psalmen en antifonen zijn de beste manieren die mensen op kunnen brengen om naar God te wijzen. Maar ze zijn onrechtstreeks, zoals alle verwijzingen onrechtstreeks zijn. Als je in een restaurant waar je nog nooit geweest bent hoge nood krijgt, ben je maar al te blij als je een bordje ziet met een grote pijl en het woord ‘WC’ erop. Het is fantastisch dat dat bordje daar hangt. Je hart dankt degene die dat bordje daar heeft neergehangen. Maar het is natuurlijk nog niet de WC zelf. Om de uiteindelijke verlossing te vinden moet je eerst nog de pijlen volgen. Als je daar ter plekke je broek laat zakken en tegen het bordje begint te plassen krijg je waarschijnlijk ruzie met de eigenaar. Met georganiseerde godsdienst is het niet helemaal hetzelfde, maar het is wel te vergelijken. God is weliswaar in de Mis en het gebed gewoon al zelf aanwezig en bereikbaar. Lichamelijk en tastbaar en zelfs smaakbaar. Je hoeft niet fysiek op te staan en bordjes met pijlen te volgen om Hem te vinden. Maar innerlijk moet je wel degelijk in beweging komen. Sterker nog: dat alles is gemaakt om je niet alleen te verplaatsen, maar te transformeren. Het is logisch dat je als kind - of als kind in het geloof, dus iemand die nog maar net katholiek is - eerst heel gevoelsmatig en zintuiglijk proeft van het zingen en bidden en kijken en ruiken en opstijgen van de Liturgie, en zelfs van je persoonlijke gebed. En dat is prima. Maar zoiets moet wel een etappe, een stadium zijn. Geen eindpunt. In de loop der jaren moet het worden overstegen. Nijhoff was bepaald niet de eerste die zielen vergeleek met bijen. In de veertiende eeuw deed ook Jan van Ruusbroec dat al - de grootste theoloog aller tijden. Hij schetst in zijn Geestelijke Bruiloft een voorjaarstafereeltje, een lieflijke dag in de meimaand. Dat is de zoete kindertijd van de ziel. Hij schrijft dat mensen in dit stadium van hun gebedsleven ‘noch teeder sijn ende behoeven melc ende soete dinghe, niet sterke spise, grote coringhen ende van gode ghelaten te sine. Rijm ende nevel hindert dicke desen menschen in desen tijden, dat es in desen wesene, want het es recht in midden den meye na loope inwindichs levens. De kindertijd, maar ook de kindertijd in het geloof, als je de Kerk nog maar net gevonden hebt, is zoiets als de meimaand. De natuur is koesterend en weelderig en helemaal gemaakt om het je zo blij en behaaglijk mogelijk te maken. Want je kunt nog niet veel meer verdragen. Hetzelfde met voedsel. Kinderen houden van melk en zoete dingen, niet van spruiten en rauwe witlof, laat staan van een hete Indische schotel met een lekkere sigaar en een cognacje na. Ze horen ook niet te worden blootgesteld aan uitdagingen die ze nog niet kunnen overzien. In plaats daarvan hebben ze hun eigen beproevingen. Die noemt Ruusbroec rijm ende nevel, dus rijp en mist. Die kunnen de zalige meimaand stevig bederven. Rijm, dat es yet willen sijn ochte yet wanen sijn, ochte yet van hem selven houden ochte datmen des troosts verdient hebbe ochte weerdich si. Rijp is dus het pedante gevoel dat je recht hebt op hemelse vertroostingen omdat je geestelijk alles weet en helemaal klaar bent. Als het dan een tijdje saai en dor wordt in je ziel heb je daar geen geduld voor. Dan ben je als een verwend kind, dat op de grond begint te stampen en de hele Jumbo bij elkaar krijst omdat je van mama geen ijsje krijgt. Daar komt nog eens bovenop dat je niet alleen maar ijsjes, maar ook spruitjes moet eten. Daarop doelt Ruusbroec als hij het heeft over mist. Nevel, dat es datmen rusten wilt op inwindighen troost ende op sueticheit: dat maect de locht der redenen doncker, ende de crachte die open souden sijn ende bloeyen ende vrucht bringhen die luken. Mist is dat je wil rusten in inwendige zoetigheid, zegt hij. Niet de zoetigheid zelf is het probleem, maar het feit dat je die aanziet voor God zelf. Dat je er geen afstand meer van wilt doen, er niet meer bovenuit wilt stijgen. En dat maakt de lucht van de rede donker, zegt Ruusbroec. De krachten, de bloemen van de ziel die openstaan naar de hemel, sluiten zich om die zoetigheid vast te houden, te omklemmen, te conserveren. En als ze niet weer opengaan zullen ze verpieteren, impliceert hij. En dan begint hij over die bijtjes: Soe seldi merken ende doen alse die wise bie. Sie woent inder eenicheit met vergaderinghe hare gheselscap, ende vaert ute, niet in storme maer in stillen ghesaetten wedere in schine der zonnen, op alle die bloemen daermen sueticheit in vinden mach. Si en rust niet op gheene bloeme, noch op gheen scoenheit ochte soeticheit. Maer si trecter ute honich ende was, dat es sueticheit ende materie der claerheit. Het bijtje vliegt van bloem tot bloem en beleeft wel de schoonheid en de zoetheid, maar blijft er niet aan plakken. Ze verzamelt daar was en honing - dat wil zeggen helderheid, wijsheid, ervaring. Dingen die dragen in plaats van bedwelmen. Maar een zoet religieus moment conserveren en herbeleven en daarin zalig maar zo’n beetje ronddrijven kan niet en doet ze dus ook niet. God zal wel nieuwe en nog mooiere ogenblikken geven. Waar dan ook weer de substantie van kan worden meegenomen, maar het moment zelf van moet worden achtergelaten. ‘Het hart moet openstaan, zodat de zon van Christus erin kan schijnen,’ schrijft hij ook nog. Er is hier op aarde geen rusten in God dat je ontslaat van zoeken, bewegen en werken. Zelfs de overgave aan God kost energie. Een mens is geen stuk gereedschap, schrijft hij verderop, dat zelf niks kan of hoeft ‘...rechte als dat ghetouwe dat selve ledich es ende sijns meesters beidt wanneer hi werken wilt. Hij moet, met andere woorden niks hebben van mensen die menen God wel te vinden door zich zo wezenloos mogelijk aan hun eigen passieve bestaan over te geven en te verwachten dat God het verder wel zal richten. Overmids die natuerlijcke raste die sie ghevoelen ende besitten in hem selven in ledicheiden, soe houden si dit, dat si vri sijn ende met gode sonder middel vereenicht, ende dat si verhaven sijn boven alle oefeninghe der heiligher kerken, ende boven die ghebode gods, ende boven die wet, ende boven alle doechdelijc werken diesmen pleghen mach in eenigher wijs. Ruusbroec heeft het hier niet over een theoretisch probleem, maar over een irritante geestelijke mode uit zijn tijd die sommige vrome zielen het hoofd op hol bracht. De zogenaamde vrij-geesterij. De aanhangers daarvan probeerden zo passief mogelijk te drijven in God. Elke vorm van streven was hun teveel: werken, bidden, de Kerk, de Sacramenten, de heiligen en stiekem - zonder dat ze het in de gaten hadden - ook God zelf. Ongemerkt verzopen ze in hun eigen zelfgenoegzaamheid in plaats van in God. Iemand die daar vaak mee in verband wordt gebracht is een zekere Marguérite Porete, een begijntje uit de zuidelijke Nederlanden, uit Valencijn, tegenwoordig in Frankrijk. Zij leefde een generatie eerder dan Ruusbroec. Ze schreef een boek dat deze mentaliteit ongeveer uit leek te schreeuwen. Zij streefde naar de totale vernietiging van haar ziel in God. Je wordt gered door het geloof zonder werken, want het geloof overtreft alle werk, naar het getuigenis van de Minne zelf. Marguérite streefde ernaar niet alleen niks te doen, maar zelfs niks meer te willen, zelfs niet God te willen. Hoogstwaarschijnlijk bedoelde ze daar heel wat anders mee dan wat Ruusbroec later met zijn weefgetouw zou veroordelen. Haar ‘niet werken’ had niks te maken met lui zwelgen in valse geestelijke vervoering. Zij droomde van een ziel die zó door geloof en de liefde voor God in beslag was genomen dat ze geen merkbare eigen wil meer had. Die was veranderd in ruimte voor Gods willen in haar. Je kan niet zeggen dat je daar met wezenloze slapte te maken hebt. Sterker nog: de vrouw die beweerde dat de ziel niks hoort te doen omwille van God deed precies wat haar alles kostte tot en met haar leven. Toen het boek dat zij geschreven had door de bisschop van Kamerijk werd veroordeeld en verbrand bleef zij trouw aan wat zij van harte geloofde. Toen zij daarop door een dolgedraaide inquisiteur werd aangeklaagd wegens ketterij weigerde zij anderhalf jaar lang zichzelf te verdedigen en werd in 1310 in Parijs levend verbrand, liever dan dat zij haar woorden zou intrekken. Of zij verstandig handelde laten we maar even in het midden. Ze wekt de indruk een wat fanatiek en drammerig mens te zijn geweest. Maar je kunt haar toch moeilijk beschuldigen van gemakzucht, om het maar even voorzichtig uit te drukken. Hoe dan ook wint men God niet in de vervoering en de wierookwolken, maar uiteindelijk door juist in het dagelijkse zwoegen ruimte voor hem te worden. De Duitse mysticus Eckhart zegt dat nog veel puntiger dan Ruusbroec. In zijn vijfde preek schrijft hij: Wan wærlîche, swer gotes mê wænet bekomen in innerkeit, in andâht, in süezicheit und in zunderlîcher zuovüegunge dan bî dem viure oder in dem stalle, sô tuost dû niht anders dan ob dû got næmest und wündest im einen mantel umbe daz houbet und stiezest in under einen bank. Als je denkt dat je God het meest nabij bent als je je innig, zoet en devoot voelt is het alsof je hem een doek over zijn kop gooit en onder een bank trapt. De zoetigheid onttrekt Hem dan aan je waarneming en zijn échte werkelijkheid zit in een ongemakkelijke houding opgevouwen onder de opgedrongen vorm van jouw voorstelling van wat devoot is en wat niet. Gebed is belangrijk en God schenkt sommigen van ons niet voor niets af en toe religieuze ervaringen, maar het is juist als je aan de haard aan het spit staat te draaien of in de soep staat te roeren, als je in de stal stront staat te scheppen en ruiven staat te vullen, dat je vol van hem moet zijn. Vertaald in huidige termen: als je in de een of andere supermarkt achter de kassa zit om sinaasappels, vuilniszakken en condooms te scannen of als je op een kantoor verzekeringspolissen zit uit te poepen. Zoet of niet - God is er en jij bent er en uiteindelijk moet dat je genoeg worden, zoete gevoelens of niet. ‘Alle dies troosts die god ye ghegaf, die salmen gherne ontberen ende ledich sijn, op dat gode eerlijc si,’ zegt Ruusbroec daarover. ‘Dit es de vergaderinghe des corens ende alrehande tidigher vruchte daermen eewelijc af leven sal ende rijcke sijn met gode. Juist het graag verdragen van wat God ook maar geeft of niet maakt je rijp en schenkt je de oogst waarvan je kan leven. Sterker nog: ‘mestroost wert eewich wijn,’ mistroost wordt de eeuwige wijn. Dit alles lukt niet in vijf minuten of door het op een zeker moment eens even definitief te besluiten. Als het niet lukt is enige zelfspot onontbeerlijk. Je lacht een keer om jezelf en gaat gewoon verder met oefenen en groeien. En uitrusten: dat doen we in de hemel. Ook deze keer heb ik weer een geestelijke oefening klaargezet, die als het goed is ondertussen ergens in beeld verschijnt. Graag zie ik jullie daar. En voor wie daar geen zin in heeft en lekker wat anders gaat doen: ga, en leef! This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • May 9 · 29 min

    Ben jij God zelf?

    Als je je ogen dichtdoet en jezelf even een momentje geeft om tot jezelf te komen gebeurt er iets geks. Plotseling zijn er twee van jou. Jij is één. En die ‘jij’ geeft ‘jezelf’ - dat is twee - een momentje om tot ‘jezelf’ te komen. En die tweede jezelf observeert dan ook - ook op dit moment - echt alles waar wat je denkt en voelt en doet en ruikt, maar op een soort afstandje. En die tweede jij voelt daarbij eigenlijk meer aan als je échte jezelf dan die eerste jij - die aan het typen is en tandenpoetst en zijn neus optrekt als hij een kommetje bedorven vissoep in de vuilnisemmer flikkert. Of die naar een video op Youtube zit te kijken van de een of andere kluizenaar uit Noord-Groningen. Het lijkt wel zo’n hypermoderne televisieserie, ‘Fleabag’ of zo, waarin de hoofdpersoon ineens het verhaal even stopzet en rechtstreeks tegen jou, tegen de kijker dus, begint te kletsen om commentaar te leveren. De jij die observéert is je meer nabij dan de jij die geobserveerd wórdt. Hier ligt, met andere woorden, een sleutel naar het ervaren van een diepere laag van je ziel. Een laag die best wel eens de moeite waard zou kunnen zijn om beter te leren kennen. In eerste instantie gewoon omdat er - heel praktisch - rust, inzicht en verankering te vinden zouden kunnen zijn. In tweede instantie misschien ook wel omdat voor veel mensen de zoektocht naar God daar zijn meest logische beginpunt heeft. Maar wacht eventjes. Ik zei daarnet: ‘als je je ogen dichtdoet en jezelf een ogenblikje geeft om tot jezelf te komen...’ Jij geeft jezelf een momentje om tot jezelf te komen. Dat zijn er geen twee, maar drie. De jij die jou observeert wordt zelf ook weer geobserveerd. En je kunt er donder op zeggen dat het daarmee nog niet klaar is. Durf je dit filmpje eigenlijk nog wel verder te kijken? Want het zou zomaar een griezelfilmpje kunnen zijn. Dan kom je helemaal niet uit bij rust en verankering, maar kan je juist niet meer slapen omdat je met achtentachtig zelven zit opgescheept. Maar je kunt ook niet meer terug, want ik heb het hele idee nu al in je wakker gemaakt. Ik heb de draak al tegen zijn gat geschopt, laten we hem nu ook maar bij de horens vatten. Heb ik zoiets als een uiteindelijk zelf? En kan ik daar wat mee? Of moet ik er juist voor oppassen? Daar gaat het over, vandaag. (intro) Onze meest woeste en compromisloze mystieke autoriteit was een zekere Duitse dominicaan die Eckhart heette. Die drukte zich niet altijd helder uit. Hij verloor nogal eens het overzicht omdat hij zo vurig was, en had er, volgens mij, ook weleens een soort ondeugend plezier in om elk idee dat hij kreeg zo schokkend mogelijk te verwoorden. Om de saaie zoetsokken en dogmatische druiloren een beetje te plagen, zal ik maar zeggen. Heel begrijpelijk voor iemand die die lui heel zijn leven geduldig moet verdragen en toch zijn bloeddruk op een acceptabel peil moet houden. Ik snap dat. Voor onze rare tijden is hij juist daardoor vaak nuttig: hij niet klinkt als een vroomkloot, maar als de gedachtestroom van een wetenschapper die bezig is een experiment uit te voeren. Zo doet hij het ook met het bewustzijn. In zijn tweede preek krijgen we hem te zien terwijl hij bezig is zijn eigen binnenkant uit elkaar te schroeven om te kijken wat erin zit. Eerst demonteert hij zijn denken, en dan zijn wil, en dan ... loopt hij gierend vast. Want onder dat denken en willen klopt de eigenlijke wezenskern van je ziel, waarin je je veiligheid en zekerheid vindt, maar waaruit je ook je levenskracht en creativiteit put. Het is logisch om bij die dingen te beginnen als je je ziel wilt beschrijven, en dat doet Eckhart dus ook. ‘Zij is een kasteeltje,’ zegt hij. Een burchtje. Dus dat wat aan je ziel stabiel en zeker en veilig is. De harde, weerbarstige kern waarin je stormen doorstaat. Wie ooit eens tegen vertwijfeling of doodsangst heeft moeten vechten kent dat plekje diep van binnen wel. Als je gedwongen wordt je innerlijk op te rollen als een egeltje, stekels naar buiten, alles wat heilig is binnen, dan is het dat burchtje, dat kasteeltje dat overblijft. Maar zij is niet alleen je harde kern, maar ook je hete kern. Als je alles van jezelf naar binnen trekt, al je licht en warmte en aanwezigheid, word je een gloeiende punt. Of dat was je altijd al, maar nu word je je er ook nog van bewust. Dus noemt Eckhart die geheimzinnige kracht niet alleen kasteeltje, maar ook vonk. Verder, en nu komen we waar we willen zijn, noemt Eckhart die kracht in de ziel een hoede. Een getuige, met andere woorden, iemand die toezicht houdt, die oplet. Een waarneemster, een observatrix. Maar dat opletten van haar is niet vrijblijvend, van buiten, vreemd. Nee, je ziel leeft uit haar blik. Je hebt alleen een bewustzijn, een aanwezigheid, omdat zij er is, omdat zij opmerkt. Je leeft en beleeft alleen zolang en omdat zij je ziet. Al het woelen van de ziel, de gedachten, de belevenissen, worden door haar licht beschenen en krijgen alleen door haar aanwezigheid betekenis. Maar zelf is zij dan juist weer onafhankelijk en vrij van wat de ziel verder is en beleeft. Zij ziet wel verstand en wil, maar verstand en wil kunnen omgekeerd in haar niet binnengaan. Ze kunnen zelfs niet naar haar kijken. Ze worden door haar volledig verblind. Eckhart wordt duizelig van haar. Wat is zij? Wie is zij? En omdat Eckhart nou eenmaal Eckhart is, gooit hij, gefrustreerd, al zijn zorgvuldig opgebouwde werk het raam uit. ‘Ik heb gezegd dat ze een hoede van de geest is, een licht een vonk. Maar nu zeg ik: “ze is noch dit, noch dat.”’ ‘Zij is van alle namen verschoond en van alle vormen ontbloot. Ze is zo leeg en vrij als God leeg en vrij is.’ En Eckhart zou Eckhart niet zijn als hij niet nog een stapje verder zou gaan. Want zelfs God zelf heeft niet zomaar toegang tot haar, zegt hij. Want God is Vader, Zoon en Geest. Hij is, met andere woorden, zelf nog te bepaald, te verbeeld, te weinig eenvoudig om recht in die vonk van de ziel te kunnen kijken. “God zelf zal nooit ook maar een ogenblik daarin kijken en heeft daar ook nog nooit ingekeken. In ieder geval niet voor zover Hij op de manier en volgens de eigenheid van zijn Personen bestaat,’ zegt Eckhart. ‘Wil God in het kasteeltje van de ziel kijken dan moet dat Hem al zijn goddelijke namen kosten en zijn persoonlijke Eigenheid. Dat alles moet Hij ten enenmale bij de deur laten staan wil Hij daar binnen kijken.’ Eckhart heeft echt de grootste mazzel gehad dat hij pas na zijn dood gesodemieter met de paus heeft gekregen. Want niet alleen klinkt Eckharts God op deze manier niet meer echt zo heel almachtig. Hij kan niet en hij moet, staat er, terwijl we toch gewend zijn dat God alles kan en niks moet. Maar ook lijkt het haast wel alsof het vonkje van de menselijke ziel zélf stiekem God ís. In een andere preek zegt hij: ‘Voordat God alle schepselen schiep baarde Hij Iets dat ongeschapen was. Dat droeg van alle schepselen het oerbeeld in zich. Dat is het vonkje, waarover ik al eerder heb gesproken. Dat vonkje is zó aan God verwant dat het een enig Éen is, ondeelbaar. En toch draagt het de oerbeelden van alle schepselen in zich, alle beeldeloze beelden en overbeeldige beelden. Voor wie een beetje thuis is in het Johannesevangelie ziet wel wat hier gebeurt. ‘In den beginne was het Woord,’ staat daar. ‘Het Woord was bij God en het Woord wás God. Alle dingen zijn daardoor geworden en buiten dat om is niet één ding geworden dat geworden is.’ God heeft dus een aspect, het Woord,’ de Logos, zeggen we dan om deftig te doen, waarin de essenties, de ideeën van alle dingen besloten liggen voordat ze door God in het bestaan worden geroepen. Het creatieve aspect van God. De wijsheid van God, wordt ook vaak gezegd. De Bijbel staat vol met dit soort logica, die rechtstreeks afkomstig is uit de Griekse filosofie. Het woord van God is nogal eens het woord van Plato, in die zin. Hoe dan ook: het Evangelie identificeert die Logos met God de Zoon, voor alle tijden geboren uit de Vader en mens geworden in Jezus Christus. En die schakelt Eckhart hier, tenminste voor het oog, zomaar gelijk met het diepste puntje van jouw ziel. Jouw essentie is Gods essentie, lijkt hij te zeggen. Jij bent God, lijkt hij te zeggen. Lijkt, want het ligt uiteindelijk genuanceerder. Maar hoe dan? Juist om dát beter uit te kunnen leggen moeten we misschien maar even kijken naar de mensen die er letterlijk écht zo over denken, die echt gezien menen te hebben dat ze God zelf zijn, en daar ook heel open over zijn. Daar zijn er verschillende soorten van, maar ik neem nou even de denkers van de Indiase Advaita Vedanta als voorbeeld. Die term klinkt ons heel exotisch in de oren, maar het gaat in feite om een traditie met letterlijk eenvoudige principes. Vedanta staat voor een bepaald soort commentaar op de Veda’s, de meest heilige geschriften uit de Hindoe-religies. Advaita betekent letterlijk ‘geen-tweeheid.’ Advaita Vedanta is dus vedische schriftuitleg op een non-duale manier. De manier die tweeheid ontkent, die onderscheid ontkent, die monistisch is. Advaita Vedanta verkondigt het idee dat elke vorm van onderscheid alleen maar schijnbaar werkelijk is. Alleen de onnoembare, onverbeeldbare, onvoorstelbare, ondeelbare essentie van God - Brahman - is écht. Al het andere is maya, een kosmische begoocheling. Maya is afgeleid van de stam -ma, die het idee van meten of begrenzen draagt. Maya is dus het aanbrengen van onderscheid, van grenzen, vormen, verschillen en namen in het ondeelbare, grenzeloze, onnoembare, Ene, goddelijke Brahman. Maya, de schijnbare, verschijnende werkelijkheid, de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, is dus tijdelijk, vergankelijk en vooral, uiteindelijk, ook onwenselijk. Onzalig. Het doel van het menselijke bestaan is om tot het volledig doorleefde inzicht te komen dat alles wat hij beleeft, en vooral ook wat hij is, niets anders is dan Brahman. De kernuitspraak van deze filosofie is: Tat tvam asi: Jij bent dat. Als je niet beter zou weten zou je zeggen dat dat precies is wat Eckhart ook al probeerde te zeggen, toch? Ook de manier waarop Eckhart weigert de diepste kracht van de ziel te benoemen doet aan deze Indiase denktrant denken. Eerst noemt hij het topje van de ziel kasteeltje, en dan ook nog vonkje, hoede en licht, maar dan ontkent hij al die termen ook weer en zegt: ‘ez enist weder diz noch daz,’ het is noch dit, noch dat. Vergelijk dat met wat de Brihadáranyaka-Upanishad daarover zegt: ‘Dit zelf: niet zo, niet zo. Neti neti. Het is niet te grijpen want het laat zich niet grijpen. Het is niet te breken, want het laat zich niet breken. Het is niet te binden, want het laat zich niet binden.’ Net zoiets doet zich voor in de meest verbreide tak van de joodse mystiek - de kabbala. Volgens de kabbalisten heeft de ziel vijf niveau’s of lagen, van primitief en grofstoffelijk naar hoog en verfijnd. Dus van het bewegen en verwarmen en instandhouden van de lichamelijke materie over het denken en bezielen en inspireren naar het meest wezenlijke en essentiële. Het hoogste niveau heet ‘Yechidah,’ wat vertaald betekent: de Ene of Unieke. Dat is het puntje waar de ziel direct en onbemiddeld verbonden is met God. Het woord ‘Yechidah’ komt van de stam voor uniek, eenmalig. Leggen we dat naast de opmerking van Eckhart dat ‘dit vonkje zo verwant is aan God dat het een enig Een is, dan is het helder dat hier dezelfde manier van denken aan het werk is. Dezelfde etymologie, zelfs, uiteindelijk. Dus én de christelijke én de joodse én de vedische traditie komen allemaal met een woord dat te maken heeft met enig en uniek en ondeelbaar als het gaat om het hart van de menselijke ziel. Dat is nog niet persé één pot nat. Maar het wijst wel op dat al die mensen op hun eigen manier naar dezelfde werkelijkheid hebben zitten staren. Dit soort speurtochten leiden schijnbaar vrijwel altijd naar dezelfde moeilijk te verwoorden glasheldere mistbank. Die dan door iedereen weer anders wordt geïnterpreteerd, natuurlijk. Dat maakt mystiek in het algemeen een onverdraaglijk fenomeen voor de droogstoppels onder ons. Niks aan te doen. Om de Dao de Djing van de Chinezen er ook nog maar even bij te slepen: “Een weg die je kan wijzen is niet de eeuwige weg. En een naam die je kunt noemen is niet de eeuwige naam.” Goed, alle gekheid op een stokje: laten we even kort een tussenstand opmaken. Ik begon deze video met de volgende observatie: Er is, als je in jezelf keert, een jij die getuige is van jouzelf. Die bewustzijn verleent aan alles wat je denkt en beleeft. Die getuige is waarschijnlijk de kern van je ziel, of misschien nog weer een getuige van die getuige, maar daar willen we hier even af zijn. In ieder geval is daar ergens een hete vonk, een toevlucht, een wezen waar we niet meer verder achter terug kunnen. De vraag is nu: is die vonk God zelf en betekent dat dat wij God zelf zijn? Eckhart lijkt dat te suggereren en in India is er een stroming die het onverbloemd verkondigt. De kabbalisten lijken toch ook wel die kant op te denken. Maar wij christenen vinden dat lastig. Niet omdat we bang zijn Gods oneindige Majesteit te bezeren, want die is niet zo kleinzerig. Maar wel omdat we het idee van één bewustzijn alléén een akelig idee vinden. Heel ons idee van wat het bestaan de moeite waard maakt is relationeel. Wij vinden dus harmonie en vereniging wel gezellig, maar de totale vereenzelviging niet. Wij zijn nou eenmaal erg van het ontmoeten, en dat gaat lastig in je eentje. Zelfs ons beeld van God is Relatie. De Personen van de Drievuldigheid ontlenen hun identiteit aan hun relatie met elkaar. De Vader is Vader omdat Hij een Zoon heeft. De Zoon is Zoon omdat Hij een Vader heeft. De Geest is in feite niks anders dan de relatie tussen de Vader en de Zoon. Wij weten zelf ook wel dat wij daar een logisch probleem hebben, dus zijn we ondertussen sterren geworden in het klooien et paradoxen. God is wel één, maar allesbehalve alleen, zeggen wij. Niet logischer, wel aangenamer. Evengoed voor de piekeraars onder ons uiteindelijk onbevredigend. Kunnen we hieraan ontsnappen? We zullen onze toevlucht maar weer nemen tot de grootste theoloog aller tijden: Jan van Ruusbroec. Om maar met de deur in huis te vallen: ook bij hem zien we die vonk van de ziel. ‘Ende oec hevet de mensche een natuerlijc gront neyghen te gode overmids de vonke der zielen ende die overste redene, die altoes begheert dat goede ende haet dat quade,’ zegt hij in zijn boek de geestelijke Bruiloft. Ruusbroec koppelt de vonk aan het hogere verstand, en ook dat lijkt op het denken van Eckhart. De vonk neigt of verlangt naar God, dat is ook wel duidelijk. Maar valt hij ook met Hem samen? Weten we het nog? Het hoogste van de menselijke ziel is bij Ruusbroec de zogenoemde geest, die bestaat uit de drie hogere vermogens: geheugen, verstand en wil. Omdat de ziel beeld van God is zijn die drie hogere vermogens ook weer beelden van de drie goddelijke Personen. Geheugen van de Vader, verstand van de Zoon en wil van de Heilige Geest. De zielevonk hoort bij de Zoon, de Logos, het Woord, het hier en nu, het verstand, het bewustzijn. Met andere woorden: de waarnemer, de hoeder, Jij die getuige bent van jou is ook bij Ruusbroec minstens beeld van de Logos, God de Zoon. Maar is de getuige ook God zelf? Ben jij ook God zelf? Je zag het al aankomen: Ruusbroec kiest hier een andere weg. Hij verenigt ons wel zeker innig met God. Maar hij kiest daarvoor het werkwoord inhangen. Ten eerste merkt hij al droogjes op dat alles en iedereen in God hangt omdat er zonder Hem geen bestaan, behoud of leven mogelijk is. Hij voegt daaraan toe dat dat nog geen reden is om naast je schoenen te gaan lopen: God houdt niet alleen heiligen in stand, maar ook mispunten en middelmatigen. En verder ook nog rotsen en colablikjes, koala’s en scheetkussens, pioenrozen en autowrakken en verder nog een paar dingen meer. Teken, bijvoorbeeld, die ook. Maar dan wordt het interessant voor ons: Eene andere eninghe ofte eenicheit es oec in ons van natueren, dat es eenicheit der overster crachten, daer si hare natuerlijcke oerspronc nemen werkelijcker wijs: in eenicheit dies gheests ochte der ghedachten. Dit es die selve eenicheit die in gode hanghet, maer men neemse hier werkelijcke ende daer weselijcke. Bij Ruusbroec hangt dus niet alleen het verstand, maar heel de geest in God. Dat ontsnapt aan de zintuigen, voegt hij er ook nog aan toe, en daaruit komen geheugen, verstand en wil tevoorschijn. Tot zover is het beeld dat Ruusbroec heeft van hoe de ziel ten diepste in elkaar zit strikt logisch nog wel met dat van Eckhart te verenigen, en misschien zelfs nog wel met Advaita Vedanta en de kabbala, maar het begint wel te wringen. Gewoon omdat er een andere mentaliteit uit spreekt, die veel nadrukkelijker dan de anderen die we tot nu toe hebben gezien bescheidenheid en overgave benadrukt. Dat wordt overduidelijk wanneer we zijn boecsken der Verclaringhe erbij pakken. Dat schreef hij uitdrukkelijk om te onderstrepen dat hij geen pantheïst was. Daarin zegt hij dan ook klip en klaar wat advaita adepten en hasidische rebbe’s niet zo snel zouden schrijven, en wat je ook vergeefs bij Eckhart zoekt. Eerst lijkt ook hij nog helemaal de taal van de absolute eenheid te spreken als hij zegt: Want alle verhavene gheeste versmelten ende vernieuten, overmids ghebruken, in gods wesen, dat alre wesen overwesen is. Daer ontfallen si hen selvenin ene verlorenheit ende in onwetene sonder gront. Daer es alle claerheit wederboecht in deemsterheit, daer die .iii. persone wiken der weseleker enecheit ende sonder onderscheet ghebruken weseleker salecheit. Net als bij Eckhart is er in de menselijke ziel een zo groot mysterie dat God zijn Drievuldigheid achterlaat als Hij er naar binnen gaat. Hij gaat er binnen in zijn zalige Eénvoud en geniet daarvan, samen met de ziel. Maar toch staat hij het die ziel niet toe zich in Hem op te lossen. Dese salecheit es gode allene weseleec ende allen gheesten overweseleec. Want gheen ghescapen wesen en mach met gods wesene een sijn ende tegaen in hem selven. Want soe worde de creatuere god, dat onmoghelijc es. Waarom is dat eigenlijk onmogelijk? Nou: Want Gods wesen en mach menderen noch meerren. God is onveranderlijk. Als Hij toeneemt of afneemt is Hij God niet meer. Om dan de hele zaak weer lekker in de war te schoppen door eraan toe te voegen: Nochtan sijn alle minnende gheeste een ghebruken ende ene salecheit met gode sonder differentie. De liefhebbende geesten zijn één genieten en één zaligheid met God, en wel zonder onderscheid. Daar ziet Ruusbroec geen enkel probleem in, Want dat saleghe wesen dat gods ghebruken es ende alle siere gheminder, dat es alsoe sempel eenvoldech, dat daer en es noch vader, noch sone, noch heileghe geest na persoenleken onderscede, noch ghene creature. Wat God eigen is krijg jij als vrije gave. Wat Hij van nature heeft krijg jij in de vorm van zijn liefde geschonken. Zijn wezen is niet jouw wezen, maar wel jouw overwezen, zoals Ruusbroec het noemt. Het is niet vanzelfsprekend van jou, het is van jou omdat God het van harte aan je wil schenken. Hij wil zich met jou delen omdat Hij je bemint. God mag weten of dit alles uiteindelijk in technische zin veel verschil maakt. In India zal men zeggen van niet, omdat het hele probleem al vanaf het begin een illusie was. Ook kabbalisten zullen zich waarschijnlijk verbaasd afvragen waar die arme christenen zich zo druk over maken. Maar wij zijn christenen. Wij verstaan God als de Liefde zelf. En onze eigen diepste zelf liever niet als een vanzelfsprekendheid. Iets waar we recht op zouden hebben. Nee. Wij worden elk moment van ons bestaan uit liefde door de liefde aan onszelf geschonken. Dat is onze zaligheid en anders niet. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • April 25 · 26 min

    Je handen druipen van het bloed!

    “Je handen druipen van het bloed.” In april 2026 had de paus niet duidelijker kunnen zijn in de richting van het Amerikaanse regime. “God wijst oorlog af. Niemand kan God gebruiken om de oorlog te rechtvaardigen,” zei hij. “Hij luistert niet naar het gebed van wie oorlog sticht. Hij verwerpt het en zegt: ‘Je kunt bidden wat je wilt, ik luister niet. Je handen druipen van het bloed.’” Vrijwel onmiddellijk verscheen er een van Donald Trumps beruchte tweets, doorspekt met woorden in schreeuwende hoofdletters. ‘ Paus Leo is ZWAK tegen de misdaad, en verschrikkelijk in zijn buitenlandpolitiek.’ Daarop volgde een onsamenhangende alinea in wappie-spraak over de Kerk en de coronamaatregelen en de opmerking dat de paus alleen zou zijn gekozen omdat hij Amerikaan was. Om Trump te paaien, nog wel. Dat was een wat hersenloze reactie van het niveau dat we van Trump zo langzamerhand wel kennen. ‘Ik hoef niet te klinken alsof ik erover heb nagedacht, want ik heb toch de macht.’ En dat terwijl er best inhoudelijke kritiek op de paus mogelijk zou zijn geweest. Ook veel christenen waren best geschokt door zijn woorden. De katholieke traditie denkt immers van oudsher helemaal niet zo zwart-wit pacifistisch als veel mensen denken. Het duurde dan ook niet lang voor een hele tros van Trumps conservatief-christelijke handlangers over elkaar heen buitelden om de paus daaraan te herinneren. Bijvoorbeeld Mike Johnson, de voorzitter van het huis van afgevaardigden. ‘Er is toch een complete katholieke theologie van de ‘rechtvaardige oorlog?’ riep Hij. Daar had hij gelijk in, maar daarmee vertelde hij de paus niks nieuws. Die heeft geen baptisten uit Louisiana nodig om hem dat uit te leggen. Hij is zelf nota bene een augustijn, dus een lid van de kloosterorde die vernoemd is naar de heilige Augustinus. En laat dat nou net de grondlegger zijn van die doctrine van de zogenaamde ‘rechtvaardige oorlog.’ Dus waarom was de paus zo fel? De Amerikanen hadden de Iraanse machthebbers toch aangevallen om te voorkomen dat die kernwapens zouden krijgen. En toch ook om de bevolking de gelegenheid te geven om hun moorddadige regime omver te werpen. Dat was toch wel rechtvaardig genoeg, allemaal, of niet dan? Maar klinkt ‘rechtvaardige oorlog’ niet sowieso een beetje raar? Kan het ooit oké zijn in de ogen van God om massa’s mensen te vermoorden en de beschaving te vernielen? Aan de andere kant, wat dan weer als je je moet verdedigen? Dat moet toch mogen? En heeft Trump niet een beetje gelijk als hij zegt dat het niet zo’n goed idee is als een bloeddorstig stelletje islamitische fundamentalisten een atoombom krijgt? Maar hoever mag je dan gaan om dat te voorkomen? Hoe heeft de Kerk daar eigenlijk in de loop van de eeuwen over gedacht? Over Jezus zelf kunnen we kort zijn. Sommige geleerden beweerden vroeger wel dat Hij zelf een soort strijder was die met geweld het einde der tijden en Gods koninkrijk af meende te kunnen dwingen. Dat vergt alleen wel echt een vorm van hogere uitlegkunde - of inlegkunde, beter gezegd. Want de vier Evangelies schetsen echt een ander beeld. ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld,’ zegt Hij, en ‘zalig zij die vrede stichten, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.’ Als Petrus probeert te voorkomen dat Jezus gearresteerd wordt en met een zwaard om zich heen begint te slaan zegt hij: ‘Steek je zwaard terug op zijn plaats. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.’ En ook de vroege christenen lijken nog eeuwenlang echt radicale pacifisten te zijn geweest. En dat terwijl ze verder absoluut niet persé van die extreem vriendelijke types waren. Dat konden ze zich ook helemaal niet permitteren, want christen zijn was gevaarlijk en illegaal. Als je werd aangegeven kon je ervoor gemarteld en ter dood gebracht worden. Dat merk je dan ook gelijk aan de harde toon van veel van de geschriften die we uit die tijd nog hebben. Zo was bijvoorbeeld Tertullianus, uit de tweede eeuw, een meedogenloze fanaat, bij wie er voor afvalligen geen vergeving mogelijk was. Niet voor niks staat hij nergens op de heiligenkalender. Een Kerk die vergeeft is een Kerk die capituleert, vond hij. Vrouwen noemde hij de poort van de duivel en hij was tegen geleerdheid. ‘Wat heeft Athene te maken met Jeruzalem?’ zei hij. In die zin zou hij tegenwoordig zo in het Trump-kamp hebben gepast. Toch is hij glashelder als het op geweld aankomt. Voor hem kan een christen geen soldaat zijn. “Hoe moet een christen als soldaat oorlog voeren,” zegt hij. “Sterker nog, hoe zal hij zelfs in vredestijd dienen, zonder het zwaard? Maar dat heeft de Heer weggenomen!” Iets later leefde Origenes. Die had alle reden om wrok en agressie te koesteren, want toen hij zeventien was werd zijn vader door de Romeinen ter dood gebracht omdat hij christen was. Toch was hij niet uit op wraak, maar juist radicale pacifist. Het Koninkrijk van God was aanstaande, en zou zonder geweld van christenen door God zelf tot stand worden gebracht. “Wij nemen niet meer het zwaard op tegen enig volk en wij leren niet meer de oorlog, want wij zijn vredestichters geworden door Jezus Christus, onze aanvoerder.” Hij hield die houding zijn hele leven consequent vol, terwijl hij voortdurend werd geconfronteerd met vijandigheid en agressie. Uiteindelijk stierf hij, gebroken door afschuwelijke martelingen, onder keizer Decius. Maar dan, in de vierde eeuw, verandert er iets. Constantijn de Grote, de Romeinse keizer, maakt het christendom tot een legale religie. In de praktijk zelfs een religie waar je bij wil horen als je in zijn maatschappij iets wilt bereiken. Geen wonder dat massa’s mensen zich laten dopen, en dat de ongenaakbare martelaarscultuur van types als Tertullianus en Origenes al snel verdampt in de Kerk. Maar dat levert een levensgroot probleem op. Want het maakt de Kerk, minstens indirect, medeverantwoordelijk voor de politieke cultuur van het Romeinse Rijk. Als keizers ten strijde trekken met het kruisteken op hun banieren moet de Kerk daar wat van vinden, linksom of rechtsom. Dat de Kerk door haar nieuwe, bevoorrechte status meer pragmatisch werd, werd al snel duidelijk. De synode van Arles, een grote kerkvergadering helemaal aan het begin van deze periode, besliste al gelijk dat christenen in het vervolg het leger in mochten. Ze moesten alleen wel boete doen als ze ook daadwerkelijk bloed vergoten. Een ongemakkelijk compromis, zo te horen. Om niet te zeggen hypocriet. Het was de heilige Augustinus van Hippo die aan het begin van de vijfde eeuw de theologie op het gebied van oorlog en geweld meer vlees op de botten gaf. De vragen die hij moest beantwoorden waren hele andere dan die van Tertullianus. Het ging niet meer over christenen die vervolgd werden, maar over christenen die de macht hadden. Die de heersende beschaving droegen en in stand hielden onder druk van vijanden van buiten en verrotting van binnen. In 410 werd Rome geplunderd door de Visigoten, en zelf was hij bisschop in Noord-Afrika. Daar werden de Romeinse steden dan weer voortdurend bedreigd door de legers van de Vandalen. Dat leverde allemaal hele concrete, praktische vragen op. In hoeverre mogen christenen zich in zo’n situatie met geweld verdedigen? Augustinus’ ideeën waren dus geen vluchtige theorietjes die op een lome zomernamiddag vrijblijvend aan elkaar gefantaseerd waren. Het waren acute dilemma’s. Augustinus zou uiteindelijk zelf sterven in een belegerde stad. Niet alleen hij lag in doodsstrijd, zijn bisschopsstad Hippo ook. Een paar maanden na zijn dood zou het worden ingenomen en van de kaart geveegd. In zo’n wereld was het voor Augustinus niet houdbaar elke vorm van oorlog rücksichtslos te veroordelen. Dat deed hij dan ook niet. Voor hem was de vraag niet meer: ‘Mag ik als christen vechten?’ maar: ‘wat leeft er in mijn innerlijk terwijl ik vecht?’ Hij schrijft: ‘De zucht om kapot te maken, de wreedheid van het wraak nemen, de onverzoenlijke en onverzadigbare geest, de losgeslagen opstand, de lust om te overheersen en al dat soort dingen: dát is wat in oorlogen moet worden veroordeeld.’ Vooral die ‘lust om te overheersen,’ de Libido Dominandi, wordt daarbij een sleutelbegrip. Als die in het spel is, wordt het moeilijk een oorlog als terecht te betitelen. Dat maakt het voor oorlogszuchtige naties al gelijk weer lastig om zich met dit soort theologie in de hand te rechtvaardigen. Die zucht naar overheersing speelt - naast de honger naar gebiedsuitbreiding en rijkdom - immers bijna altijd wel een rol bij het uitbreken van oorlog. Vrome praatjes over het beschermen van de wereld tegen chemische of nucleaire wapenarsenalen of het redden van een onderdrukte bevolking van een wreed regime bedekken meestal een hele andere agenda. Een agenda die is opgesteld in de onderbuik van de machthebbers. Verder vond Augustinus het ook belangrijk dat niet zomaar iedereen het recht had oorlog te voeren. Dat kon alleen op basis van een wettig gezag. Dat gezag is door God gegeven om de vrede in de schepping te bewaren. “De natuurlijke orde, die op vrede is gericht, vereist dat het gezag en de beslissing om oorlog te voeren bij de vorst berusten,” schrijft hij daarom. De losse ideeën over de rechtvaardiging van oorlog uit Augustinus’ werk kregen op den duur een enorme invloed in het christelijke Westen. Uiteindelijk belandden ze ook in de officiële wetgeving, maar dat gebeurde pas in de twaalfde eeuw. Toen werden ze in het decretum van Gratianus opgenomen, zeg maar het toonaangevende kerkelijke recht van die tijd. Nog iets later leefde de heilige Thomas van Aquino, die het denken over oorlog en vrede in een verfijnd systeem paste. Dat deed hij trouwens met heel de waarneembare werkelijkheid. Hij had, met andere woorden, ook last van een Libido Dominandi, een lust om te beheersen. Of misschien was het in zijn geval eerder een Libido Ordinandi, een zucht om te catalogiseren. In ieder geval ontsnapte ook de oorlog niet aan zijn aandacht. Hij benaderde het probleem met de nuchtere droogte die we van hem kennen: “Om een oorlog rechtvaardig te maken zijn er drie dingen nodig: ten eerste het gezag van een vorst, op wiens bevel de oorlog gevoerd moet worden. Ten tweede een rechtvaardige aanleiding, namelijk dat diegenen die worden aangevallen het daar door hun eigen schuld zelf naar gemaakt hebben. Ten derde dat het doel van de oorlogvoerenden juist is: gericht op het bevorderen van het goede of het bestrijden van het kwade.” Thomas systematiseert wat bij Augustinus nog los op concrete situaties gericht was. Hij poneert drie heldere criteria. Oorlog kan alleen rechtmatig worden gevoerd door de soevereine vorsten van naties, waarvan hij geloofde dat hun gezag door God gegeven was. Verder is oorlog nooit een doel op zichzelf. Het is een middel tot vrede, een geordende rust. Dat is kenmerkend voor Thomas. Bij hem is altijd alles gericht op orde. Ordenen was zijn ding. In feite bestaat heel zijn werk eruit om hemel en aarde - aan de hand van Aristoteles - te ordenen. Hij zou tot patroon van de autisten verklaard moeten worden. Enfin, dat terzijde. Zijn werk zette ondertussen wel de kroon op de traditie van de Bellum Iustum, de “Rechtvaardige Oorlog,” die met het werk van Augustinus was begonnen. Er lag in het vervolg een overzichtelijke, heldere kerkelijke leer over oorlog en vrede. Dat was, achteraf, geen zegen. Zoals het er stond was de regel veel te kwetsbaar voor misbruik. Het was voor christelijke naties wel erg makkelijk geworden geweld te rechtvaardigen. Hun Libido Dominandi was op geen enkele manier overwonnen of zelfs maar milder geworden. Alleen verstopt onder een enorme berg mooie spreuken. Dat begon echt heel storend op te vallen nadat het nieuwe continent Amerika was ontdekt. Dat gebeurde door de Spanjaarden. Die waren weliswaar officieel zo ongeveer de katholiekste natie ter wereld, maar ze maakten er geen christelijk schouwspel van. Onder het mom van het verspreiden van het Evangelie en het bestrijden van het heidendom zaaiden ze dood en verderf onder de inheemse bevolking, de Azteken. Nou was dat heidendom van die Azteken wel - de eerlijkheid gebiedt het te zeggen - een van de meest bloeddorstige religies die de wereld ooit gezien heeft. Mensen offeren was voor hen geen bijkomstigheid, maar het hart van hun hele kosmologische orde. Zonder mensenoffers geen zonsopgang. Maar de manier waarop de Spanjaarden daar een eind aan maakten had niks te maken met geloofwaardig christendom. Moorden in naam van het leven is trouwens altijd een rare manier van doen. Nou is het zo dat juist de zwartste bladzijden uit de menselijke geschiedenis soms enorm vruchtbaar worden gemaakt door diegenen die het niet kunnen aanzien. En zo ging het ook nu weer. Spanje was in die tijd een natie vol kloosters. Daarin lag een enorme kracht ten goede verborgen. Zowel de dominicanen als de jezuïeten zouden in de drie eeuwen daarna hun uiterste best doen om de Spaanse bezetters van Zuid-Amerika tot medemenselijkheid te dwingen. Voor ons onderwerp van vandaag zijn twee dominicanen uit Salamanca het meest relevant. Zij vonden in feite het internationale recht uit. De eerste was Francisco de Vitoria, die zonder omhaal van woorden zei: “Er is maar één en één enkele aanleiding tot een rechtvaardige oorlog: dat er onrecht is aangedaan.” En: “Verschil in godsdienst is géén reden voor een rechtvaardige oorlog.” Daarmee zette hij een streep door een hele reeks reflexen die iedereen tot dan toe doodnormaal had gevonden. Weg met kruistochten, weg met oorlogen over reformatie en tegenreformatie. En ook nieuw: inheemse volkeren zijn mensen met rechten, of ze nou gedoopt zijn of niet. Al die dingen ontmaskerde hij voor wat ze waren: voorwendsels voor het uitleven van hebzucht en de lust om te overwinnen. Maar hij trok ook ten strijde tegen zaken die wij ook nu nog om ons heen zien gebeuren. In zijn boekje was niet alleen geen ruimte meer voor godsdienstoorlogen, maar ook niet meer voor preventieve oorlogen. De tweede Irak-oorlog en de oorlog van Trump tegen de Perzen zou hij zonder meer hebben afgekeurd. Alleen een werkelijk geleden onrecht rechtvaardigt gewapend optreden. Maar ook dan gelden er beperkingen. “Als het,” zo schrijft hij, “nodig zou zijn om grotere rampen te veroorzaken dan het goed dat hersteld moet worden is het niet geoorloofd een oorlog te beginnen.” Daarmee introduceerde de Vitoria het zogenaamde proportionaliteitsbeginsel, nog steeds een van de pijlers onder het moderne humanitaire oorlogsrecht. Een medebroeder van hem die net een generatie later leefde, Francisco Suárez voegde daar nog het principe van de ultima ratio aan toe. Oorlog is alleen geoorloofd als alle andere middelen zijn uitgeput. Zo legde hij de basis voor wat onze eigen Hugo de Groot later verder zou uitwerken. Die gaf er ook voor het eerst expliciet de naam volkerenrecht aan. Het internationale recht is dus geboren uit de moraaltheologie van twee Spaanse priesters. Dat je het maar even weet. Knoop het in je oren. Lekker puh. Maar toen kregen we dit: [beelden van de loopgraven] en toen dit: [paddestoelwolk]. Oorlogsrecht heeft alleen maar zin als een oorlog beheersbaar blijft. Als de middelen in verhouding staan tot het doel. Dat er een onderscheid kan blijven worden gemaakt tussen soldaten en burgers. De twintigste eeuw maakt dat alles definitief onmogelijk. Eerst kregen we de loopgraven, machinegeweren en gifgasaanvallen van de eerste wereldoorlog. Om maar eens iets te noemen: bij de slag om de Somme stierven op één dag zestigduizend Engelse soldaten. Dat maakt het proportionaliteitsbeginsel in één klap tot een absurditeit. En dan krijgen we de tweede wereldoorlog met zijn luchtbombardementen en uiteindelijk zijn atoombommen. Wat er met steden als Rotterdam en Dresden gebeurde was al ruim voldoende om de logica van alles hiervoor uit zijn voegen te drukken, maar Hiroshima en Nagasaki zetten er wel echt een vette punt achter. Atoombommen maken geen onderscheid en hebben ook geen menselijke proporties. Per definitie niet. Alles houdt daar op. En daaruit trok de Kerk haar conclusies. Johannes XXIII hield geen enkele rekening meer met de traditie van de rechtvaardige oorlog toen hij in 1963 zijn encycliek Pacem in Terris over de vrede in de wereld schreef. Hij schreef: “Dit tijdperk beroemt zich op haar atoomkracht. Daarom is het niet te verenigen met het verstand om oorlog nog als een geschikte manier te beschouwen om geschonden rechten te herstellen.” Twee jaar later gooide het Tweede Vaticaanse Concilie daar nog een schepje bovenop. “Elke oorlogshandeling die zonder onderscheid gericht is op de vernietiging van hele steden of uitgestrekte gebieden met hun inwoners is een misdaad tegen God.” En zo zijn we weer bij ons uitgangspunt terug. Want zo denkt de Kerk er nog steeds over. Op dit moment hebben we paus Leo XIV, een augustijn. Hij is dus lid van de kloosterorde die de regel heeft van de heilige augustinus, nota bene de grondlegger van de leer van de rechtvaardige oorlog. Maar ook Leo gelooft daar niet meer in. Op Palmzondag 2026 zei hij letterlijk: “Dit is onze God: Jezus, Koning van de Vrede, die oorlog verwerpt en die door niemand gebruikt kan worden om oorlog te rechtvaardigen. Hij luistert niet naar de gebeden van hen die oorlog voeren, maar wijst ze af en zegt: ‘Zelfs als jullie nog zoveel bidden, ik luister niet: jullie handen zitten onder het bloed.’” Met andere woorden: De rechtvaardige oorlog-traditie was al niet uitgevonden om oorlog te rechtvaardigen, maar juist om oorlog te begrenzen — en de vraag is of die begrenzing in het atoomtijdperk nog mogelijk is. Goed, Jullie weten wel dat ik een hekel heb aan het vermengen van godsdienst en politiek, en dat ik het eigenlijk alleen wil hebben over zaken waar we zelf ook invloed op hebben. Zaken van innerlijke aard, bovendien. Ik heb dan ook wel even geaarzeld of ik deze materie überhaupt bij de horens moest vatten. Maar ook jij en ik hebben in deze wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid. Waar Augustinus tegen tekeer ging was niet het zwaard zelf, maar de geest erachter: de libido dominandi, de lust tot overheersing. En die wordt niet geboren uit abstracte naties en zelfs niet primair uit losgeslagen politici. Zowel onze vlag, onze nationale identiteit als onze heersers worden geboren uit onszelf. Het karakter van de wereldpolitiek wordt uiteindelijk bepaald, niet eens alleen door wie wij kiezen, maar vooral ook door wie wij bewonderen en wat wij dan precies in die mensen bewonderen. De eigenschappen waar wij in onze leiders tegenop kijken zijn een spiegel van wat er leeft in ons eigen hart. De Libido Dominandi, de overheersingslust van figuren als Donald Trump en Vladimir Putin is een gevolg van hoe zij denken de bewondering van anderen op te wekken. Wat zich in het groot manifesteert is vrijwel altijd een projectie van wat zich aan de grond, tussen kleine mensen, beweegt. Daarom moeten we ons afvragen: hoe zit het eigenlijk met mijn eigen Libido Dominandi, mijn overheersingslust? Hoe wil ik eigenlijk dat mensen tegen mij aankijken? En wat bewonder ik eigenlijk in anderen? Is dat eigenlijk wel het juiste? Want wat voor gedrag lok ik daarmee in die anderen uit? Is dat eigenlijk wel altijd dat wat ik zeg dat ik bewonder en wil? Of ben ik eigenlijk veel primitiever dan ik denk? Om daar de vinger achter te krijgen heb ik weer een geestelijke oefening klaargezet, een bedevaart naar je eigen innerlijk. Dat doe ik vanaf nu in een aparte video. Die vind je als het goed is al op een kaart die nu in beeld is, en ik zal hem ook in de beschrijving zetten. Graag zie ik jullie daar, en voor de rest: Ga en leef! En bewonder de vrede, in plaats van de oorlog. ook in je eigen leven. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • April 11 · 21 min

    Wegkruipen in Christus' wonden

    Ik wil Jezus’ wonden niet alleen aanraken. Ik wil er doorheen kruipen. Me er instorten, erin rondspartelen, eruit drinken, me erin verstoppen en uiteindelijk erin verdwijnen. Ben ik nog goed bezig, of rijp voor een inrichting? Dat ga ik in deze video samen met jullie uitvogelen met mijn verstand. Aan het einde gaan we ook nog even proberen om met een geestelijke oefening een beetje over dat verstand heen te koekeloeren. (intro) Het is net Pasen geweest, en we worden overspoeld met video’s van jongeren die zich laten dopen. Hun ouders snappen daar meestal niks van. Het waren immers weer hún ouders die het christendom hebben laten vallen. Ze zijn dus opgevoed met het idee dat religie bekrompen en dom is. En vreselijk saai ook vooral. En de katholíeke religie is wel het meest bekrompen en het domste en het saaiste van allemaal. Zij is tegen de wetenschap, tegen vooruitgang, tegen genieten, tegen het avontuur, tegen creativiteit, tegen seks en tegen het lichaam in het algemeen. Toch? Maar als je zo’n doopvideo ziet zit je niet te kijken naar iemand die zich onderwerpt aan een burgerlijke formaliteit die je lid maakt van een conventionele club van simpele zielen. Wat je ziet en wat zich tegelijk aan je oog onttrekt is iemand die zich met Christus laat verzuipen in de oervloed van chaos en dood om daar nieuw en herboren weer uit te kruipen. En zo is het hele katholieke geloof zoals het bedoeld is. Lichamelijk. Plastisch. Blubberend en bloedend, zwetend en zwoegend, bottend en spruitend. Gevaarlijk. Totaal sereen, maar allesbehalve steriel. God wordt mens. In eerste instantie in Jezus Christus, maar in tweede instantie - door Hem - in jou. God maakt zich vies om jou schoon te wassen. En dat gebeurt niet door aan Hem te denken, een liedje over Hem te zingen, een boekje over Hem te lezen en een gebedje te plegen, maar door jouw wonden tegen de zijne aan te leggen, je met Hem te vermengen, zijn Vlees en Bloed te drinken en zijn Geest door je neusgaten je longen in te zuigen. Dat heeft Hij tijdens zijn korte leven hier op aarde ook heel duidelijk gemaakt. Geboren in een ranzige stal was Hij ook verder nooit bang ergens mee besmet of besmeerd te raken. Hij raakte mensen gretig aan, of ze nou frisgewassen waren of onder de zwerende bulten zaten. Hij genas mensen door ze zijn spuug in de oren, in de ogen of in de mond te smeren. Uiteindelijk liet Hij zich slachten en door de mensen opeten, en dat doet Hij tot op de dag van vandaag. Als je dit soort taal en de werkelijkheid die zich daarin verbergt schokkend en onsmakelijk vindt ben je niet de enige. Maar de waarheid is dat ik tot nu toe in dit filmpje nog voorzichtig ben geweest. Het oude, authentieke christendom van voor de reformatie en de jaren zestig is nou eenmaal niet voor iedereen. Enfin, vanaf hier gaat de rem er helemáál af. Dus als je katterig wordt van katholiek kun je beter naar een kattenfilmpje gaan kijken, of zo. We beginnen met Thomas. Niet de dertiende-eeuwse wijsneus, maar de apóstel Thomas. Dus een van de twaalf voornaamste leerlingen van Jezus. Als Jezus na zijn dood en verrijzenis voor het eerst aan die apostelen verschijnt, is Thomas er niet bij. En hij gelooft er geen snars van. Hij vertikt het. Hij is, na alles wat er is gebeurd, wel genoeg kapot. Hij heeft alles wat hij had eraan gegeven en zijn familie en vrienden achtergelaten om Jezus te volgen. Hij was er tot nu toe diep van overtuigd geweest dat die de Romeinen Israël uit zou timmeren en in Jeruzalem een nieuw koninkrijk zou vestigen. Hoe heeft Hij zo achterlijk kunnen zijn? Hij schaamt zich kapot. Hij kan zichzelf niet aankijken in de spiegel. En tegelijk mist hij die man ook nog eens verschrikkelijk, ook al was het duidelijk een bedrieger en een dwaallicht. Zoals iedere idioot had kunnen zien aankomen, trouwens. Maar wel een betoverend dwaallicht. Thomas vervloekt Hem, maar zou er tegelijk alles voor over hebben om Hem terug te krijgen. Om alles weer terug te krijgen zoals hij het drie weken geleden nog had. Zo dichtbij, maar verder weg dan de maan. Een tantaluskwelling. Iets waar je met heel je wezen naar snakt, maar waar je nét niet bij kunt en ook nooit zúlt kunnen. Hij zit er dan ook niet op te wachten om zijn rauwe emoties als toetje nog eens bloot te stellen aan de waanbeelden die nu duidelijk begonnen op te komen bij de andere leerlingen. Zijn hoop was al genoeg teleurgesteld. Of tot pulp vermalen, zou je beter kunnen zeggen. Letterlijk. Op het kruis. Aan de manier waarop hij die gevoelens formuleert zie je precies zijn scherpe mensenkennis. Hij wéét hoe overtuigend fantasiebeelden kunnen zijn, hoe écht ze kunnen overkomen. Hij heeft dat immers net zelf meegemaakt, jaren achter elkaar. En nu worden die illusies bij de andere apostelen ook nog eens gevoed door het hartstochtelijke verlangen dat diepe rouw met zich meebrengt. De rouw die hij zelf ook voelt. Daarom trekt hij de enige grens die geen drogbeeld kan passeren: ‘als ik niet in zijn handen het litteken van de spijkers zie en niet mijn vinger kan leggen op de plek van de spijkers en mijn hand mag leggen op zijn zijde, zal ik echt niet geloven!’ En dan is daar inderdaad plotseling weer die Jezus. Hij verschijnt niet alleen, Hij ontplóft als het ware in het gezicht van Thomas. Hij zegt: kom hier met je vingers en raak mijn wonden aan. Kom hier met je hand en leg die in mijn doorstoken zijde. Ongelooflijk en onvoorstelbaar! Niet te bevatten. Maar wél te vátten, letterlijk. Thomas doet wat Jezus hem zegt. Hij raakt Hem aan en dringt dieper in Hem door dan ooit tevoren. Want is het eigenlijk niet gek dat Jezus die wonden überhaupt nog heeft? Zou het niet logischer zijn geweest als die met de dood uit Jezus’ lichaam waren weggetrokken en verdwenen? Als Jezus zelfs de dood kan doden, hadden dan ook niet zijn wonden moeten sterven? Lijden gaat voorbij, maar geleden hebben blijft, lijkt hier gezegd te worden. En in Jezus’ geval is dat lijden duidelijk een bron van genezing en overwinning geworden. Die wonden zijn daar niet alleen de eretekens van geworden, maar ook de bronnen waaruit Thomas zijn geloof en zijn zelfrespect terugkrijgt. ‘Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt zij geen vrucht voort,’ heeft diezelfde Jezus gezegd. En Hij heeft de daad bij het woord gevoegd. Hij heeft zichzelf opengebroken en op de aarde laten vallen om zich als voedsel te geven en bloei en leven te brengen. Hem niet aan te raken, Hem niet binnen te dringen en te eten en te drinken en te spreken en te leven zou Hem pas echt tekortdoen. Zijn lijden en sterven verspillen en zijn offer afwijzen. Daar hebben wij postmoderne mensen echt weer iets te leren. Iets wat wij wel ooit geweten hebben, maar waarvan wij vervreemd zijn. Ons vervreemd hébben. Namelijk: lichámelijk te zijn. De middeleeuwers hadden daar geen moeite mee. Die wilden ook wel graag naar de hemel, maar hadden geen moment de illusie daar al te zijn of die hier op aarde met menselijke handigheid te kunnen bouwen. Ze waren wel veel schoner en mooier en ontwikkelder dan ze vaak worden afgeschilderd, maar ze moesten die schoonheid en properheid voortdurend aan de materie ontworstelen. Daarom vertrouwden ze ook alleen heiligen die niet alleen geestelijk waren, maar net als zijzelf hun heiligheid hier op áarde hadden moeten bevechten op bloed en zweet en stront en tranen. Die die lichamelijkheid uiteindelijk wel vol vertrouwen hadden losgelaten in de handen van God, maar pas nadat ze die tot de laatste druppel snot en de laatste rimpel en de laatste reutelende zucht hadden uitgeknepen. Met achterlating van hun beenderen als bewijs daarvan. Die de middeleeuwers dan ook niet voor niks vol respect bewaarden in gouden schrijnen, gezalfd en met de geur van heiligheid omkranst. ‘Zalig zij die niet zien en toch geloven,’ zei Jezus, nadat Thomas Hem had aangeraakt en omhelsd. Dat klinkt als een verwijt en een ontkenning van de hele zin van dit verhaal. Ook klinkt het als onverstandige flauwekul. Flauwekul waar de meeste christenen met open ogen instinken, ook nog. Als een oproep om onkritisch te vertrouwen op mooie praatjes. Want dat is wat de Bijbel is, en zelfs het verhaal van Jezus: een pak mooie praatjes. Als ze niet in de aarde vallen en sterven brengen ze geen vrucht voort. Daarop te vertrouwen als ze verder in je eigen leven, je eigen lichamelijke leven afwezig blijven is niet alleen naïef, maar ook gewoon tragisch. Dan eindig je precies in de situatie van Thomas: als belachelijke leerling van een vermoorde sekteleider. En dan zonder het verlossende einde. In de hemelse zaligheid zullen wij ons koesteren in ons vertrouwen op God zonder dat wij ook maar iets verlangen te zien of te horen. Want die dingen doen er daar niet meer toe. Niet voor niets lees je niks als paradoxen als een van de grote mystici zijn directe ontmoeting met God beschrijft. Die gaat alle zintuigen te boven. Die hoeft je ook niet meer te overtuigen of je vertrouwen te winnen. Daarom smeren verhalen daarover alle zintuigen door elkaar. In de hemelse zaligheid ben jij niet alleen van God, maar is God ook van jou. Daar ben je zalig zonder voorbehoud en vol vertrouwen zonder te zien. Hier op aarde kan God niet anders dan ons tegemoet komen in ons dierlijke verlangen te zien, te horen, aan te raken, in te drinken, op te vreten, te voelen en te ruiken. Dat is waarom de Kerk er is, waarom de sacramenten er zijn, waarin God ons zichzelf te proeven en te voelen en te horen en te ruiken geeft. Dat is waarom Hij mens geworden is, Beeld van God. En af té beelden, uit te hakken, uit te pakken en voor te stellen. Eerst, om te oefenen, in hout en steen. Dan, bezielder al, in brood en zalf en water. Daarna uitgekneed en ingehakt in méns. In jóu. Daarom zegt Hij tegen Thomas: kom hier met die nieuwsgierige vingers van je. Steek ze in mijn handen, leg ze in mijn zij. Doe je ogen open, en je oren. Ik wil er mijn spuug in smeren. Mijn leven en mijn Woord, mijn vorm. Tegelijk is al dat verbeelden, dat smeren en verteren, niet het einddoel. Het is een middel, een tussenin, een etappe. Net zoals de Kerk ook geen einddoel is, maar een middel, een tussenin, een etappe. In de hemel is geen Kerk zoals wij die ons voorstellen. Die is daar nergens voor nodig. Daar ontmoeten wij God zonder onderscheid. Daarom zegt Christus tegen Maria Magdalena: houdt mij niet vast, want ik ben nog niet opgegaan naar mijn Vader en jouw Vader. Naar daar waar we zullen geloven zonder te zien. Zonder te voelen, te ruiken, te horen. Hij laat zich krijgen door onze stof en onze zintuigen. Hij duikt daarin. Maar niet om daar in bewaring te worden gehouden. Hij komt ons daar tegemoet om ons van de bodem ervan af te trekken en ons eruit op te tillen. Niet om het af te wijzen en te vervloeken, maar om het open te laten bloeien en te verheerlijken en nieuw te maken. Mee te nemen naar zijn Vader en jouw Vader. Maar nu nog niet. We gaan oefenen. Sluit je ogen. Geen haast. Dit is geen puzzel die je moet oplossen, maar ruimte die je je simpelweg even mag gunnen. Voel je eigen gewicht. De zwaarte van je lichaam op de stoel of op de grond. Dat je ergens op rust - dat er iets onder je is. Dat de bodem je draagt, en dat al deed voor je er wat van wist. Merk op dat je dat vergeet, bijna altijd. Dat je gedragen wordt zonder dat je erom vraagt. Dat het er gewoon is. Nu ga je naar je handen. Je hoeft er niks mee te doen, laat ze maar gewoon liggen. Voel de warmte die ze hebben, of juist niet. Misschien voel je je hartslag in je vingertoppen, als je geduld hebt om het op te merken. Raak met je duim het topje van je wijsvinger aan. Heel licht. Voel de huid op de huid. Dat je materie bent die zichzelf kan aanraken. Dit is waar het begint. Niet daarboven. Niet in een idee. Hier, in het feit dat je een lichaam hebt en dat dat lichaam er is, nu, en warm, en zwaar, en tastbaar. Stilte. Bewustzijn. Blijf waar je bent, in dat voelen van je handen, je gewicht, je warmte. Merk je dat jíj het bent die dit opmerkt? Dat er in jou iemand kijkt? Iemand die de warmte niet alleen voelt, maar weet dat hij voelt? Die het gewicht niet alleen draagt, maar er getuige van is? Alsof er in je lichaam een open ruimte is - een blik, een aandacht - die nergens vandaan komt en die je niet kunt pakken. Die er gewoon is, net zoals de grond onder je er gewoon is. Neem dat gewoon eens een tijdje waar. Niet met veel inspanning. Eerder zoals je kijkt naar iets wat je al een tijdje in het oog had, maar nu pas echt ziet. Dat je niet alleen bestaat, maar dat je ook wéét dat je bestaat. Dat je niet alleen raakt aan dingen, maar dat je ook getúige bent van die aanraking. Dat het zijn waaraan je net voelde een bewustzijn in zich draagt dat er niet door jou is ingelegd. Het was er al. Zoals het licht er al was voordat je je ogen opendeed. Zaligheid. Vrijheid. En nu het lichtste. Houd niets van dit alles vast. Niet het gewicht, niet de warmte, niet de aandacht, niet het weten. Laat het zijn wat het is - maar losjes. Zoals je een pasgeboren kind vasthoudt: stevig genoeg om het niet te laten vallen, maar zonder het te claimen. Het is niet van jou. Het is je toevertrouwd. Merk op — en je hoeft er geen naam aan te geven — dat het loslaten geen verlies is. Dat er onder het vasthouden en het weten nog iets of iemand anders is, iets dat je niet kunt beschrijven, maar dat aanvoelt als ruimte. Ruimte die van harte voor je openstaat. Ruimte die al gelukkig is voor je er zelf aan toekomt. Je hoeft haar niet te verdienen en al helemaal niet te bevechten. Ze hangt niet af van wat je voelt, maar ze draagt je voelen en koestert het en maakt het nieuw. Je hoeft die ruimte niet te bereiken. Je bent daar al. Het enige wat je kunt doen is ophouden haar tegen te houden. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • April 3 · 2 min

    Moet dat nou?

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • April 2 · 5 min

    God wordt Brood

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • March 28 · 25 min

    De Nacht waarin God Zwijgt

    Zo kennen wij dat wel. Die God is nogal eens nergens te bekennen, juist als je het benauwd hebt. ‘Waar is die God van jou?’ denk je dan. ‘En wat voor een Vader is dat?’ Het is de avond van Witte donderdag. Jezus ligt, in de steek gelaten, in het donker in een verlaten tuin te bidden. Hij is doodsbang. Morgen zal Hij afschuwelijk worden gemarteld en vermoord, en Hij wéét dat. “Laat het aan mij voorbijgaan!” schreeuwt Hij uit, tot God die Hij zijn Vader noemt. Maar die zogenaamde Vader zwijgt, in alle talen. Dat lawaaierige zwijgen is de stem van de wanhoop waartegen Jezus hier aan het vechten is. En Hij dreigt dat gevecht te verliezen. Hij is maar een mens. Maar dan, juist als Hij breekt, welt er een ander gebed uit Hem op. ‘Niet mijn wil, maar jouw Wil,’ fluistert Hij. En dan komt er een engel om Hem te troosten. Ik wil ook een engel om mij te troosten, als ik bang ben, of ziek, of als ik het echt niet meer weet. Hoe heeft Jezus die naar zich toe gelokt? En is dat alleen weggelegd voor mensen die stiekem tegelijk ook God zijn, of ook voor ons? In deze video leg ik je uit wat hier gebeurt, en aan het einde geef ik je weer, net als vorige week, een oefening. Die gaat je niet in een vingerknip in een lichtgevend spook of een vliegende non veranderen, maar je wel helpen ruimte te maken voor wat het Heilige in jou zou kunnen doen. En dat zou je een enorme hoop benauwdheid kunnen schelen, als puntje bij paaltje komt. Enfin, aan het werk. (Intro) Welke vader laat zijn Kind nou zó alleen? Om niet te zeggen: welke vader loopt zijn eigen Kind nou zó te martelen? Want God laat Jezus niet alleen in de steek - en ook nog eens precies dán wanneer het er het meest op aankomt. Hij onttrekt Hem actief zijn troost. Want dat zijn Zoon door al zijn vrienden in de steek wordt gelaten, wordt bespuugd, wordt vernederd, wordt kapotgeslagen, wordt gekroond met doornen, wordt spiernaakt en krijsend aan een kruis getimmerd is duidelijk de wil van zijn Vader. Zelfs dat zijn moeder daarbij staat te kijken en niks kán - en dat Hij dat dan weer ziet, hoe haar hart met Hem sterft - dat is duidelijk de wil van zijn Vader. Dat zij zijn bloederige vel zonder ziel in haar schoot geworpen krijgt - dat is de wil van de Vader. Over dat alles is de traditie heel duidelijk. Het hele verhaal is niet te snappen. Want was die Jezus Christus niet zélf van goddelijke natuur? Hoe kan God zichzelf smeken om Hem te komen redden en dan ook nog eens niet verhoord worden? Niet mijn wil, maar uw wil geschiede? Wat? En dan uiteindelijk aan dat kruis: ‘God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Hoe? Laten we, om niet alleen Jezus Christus, maar ook onszelf iets beter te begrijpen, maar even een stapje terugzetten. Wij mensen zijn het meeste mens als wij liefhebben. We hebben het vaak niet eens in de gaten, maar meer nog dan zelf gelukkig zijn maakt het gelukkig maken van anderen ons gelukkig. De mensen van wie wij houden. De wereld waarin wij leven. Maar die wereld werkt daar niet automatisch in mee. Soms lijkt het wel alsof ze er zelfs op uit is om zoveel mogelijk van ons zo snel mogelijk de dood in te jagen, liefst op een gruwelijke manier. Ziekten, aardbevingen, hongersnoden, het houdt nooit op. Wijzelf werken trouwens ook niet zomaar mee. Zelfs als we van goede wil zijn gedragen we ons nogal eens heel egoïstisch, ten koste van iedereen om ons heen. Of het nou om geld, aandacht, eten, macht of seks gaat: het lijkt wel alsof we nooit verzadigd raken en nooit tevreden zijn. Er zijn wetenschappers die zich opwerpen als een soort moderne priesters. Die zeggen dat dat allemaal komt omdat de wereld geschapen is door een nogal koude godin en haar hulpje, die Toeval en Evolutie heten. Die hebben de zaken zo geregeld dat alles wat leeft van nature maar op twee dingen gericht is: zichzelf in stand houden en zichzelf kopiëren. Ten koste, desnoods, van alles wat daarbij in de weg loopt. Zij zeggen dat dat nou eenmaal zo hoort. Wij katholieken zeggen dat het helemaal niet zo hoort. Wij kijken zo graag naar alles wat er wél mooi en teder is aan de natuur en de mensheid. En menen daarin toch eerlijk, door alle ellende heen, iets van een oorspronkelijk idee van de schepping te kunnen zien. Sterker nog: we hebben er heimwee naar. Het is alsof we er al ooit waren, maar op drift zijn geraakt. We hebben trouwens ook heimwee naar onszelf, maar dan onszelf zoals we bedoeld zijn. Want we zijn niet zomaar vanzelf onszelf. Daar is een vorm van groeien voor nodig. Een vorm van groeien die lang niet altijd goed afloopt en die trouwens soms überhaupt meer op een oorlog lijkt. Want als we ons maar een beetje laten gaan beginnen we al snel wezenloos te graaien naar de behoeften die door het meest dierlijke in ons worden aangejaagd. Vreten, zuipen, neuken lijken het meest plat. Maar de voortdurende behoefte aan aandacht, eer, glorie en bevestiging is minstens net zo erg. En er zijn maar weinig van ons die dat zo wel prima vinden. Het lijkt wel alsof we, telkens als we niet willen doen waar we zin in hebben, maar wat we eigenlijk ten diepste willen, we onszelf geweld aan moeten doen. Dat merken we bijvoorbeeld wanneer we écht enthousiast worden over iets dat ons dieper raakt dan onze onderbuik. Wanneer we ons bijvoorbeeld verliezen in gitaar spelen of wielrennen, en ons helemaal te pletter trainen en repeteren. En vooral merken we het als we van iemand houden, en die willen verzorgen of voor ons winnen, redden of gewoon gelukkig zien worden. Dan zijn we ineens in staat om alles wat we lekker of gemakkelijk vinden compleet te vergeten. Dan zijn we ineens wél in staat om, dwars door pijn en ellende, over alle grenzen van ons welbehagen, onze eigenliefde en ons zelfrespect heen te denderen. Dat is precies wat hier gebeurt met die Jezus die in doodsangst in die tuin bloed ligt te zweten. Zijn vrienden, die Hij had meegenomen om Hem te troosten, waren in plaats daarvan keer op keer in slaap gevallen. Dat had zijn eenzaamheid eerder nog pijnlijker gemaakt. Maar Hij verwijt het hun niet. ‘De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak,’ zegt Hij, vergoeilijkend. Hij weet het, want Hij vecht in zichzelf tegen precies hetzelfde vlees. In Christus zijn twee willen met elkaar aan het vechten: de goddelijke en de menselijke. De wil tot zelfbehoud en de wil tot zelfgave. Zijn menselijke wil is bang voor het lijden en de dood, want zo is ze gemaakt en hoort ze te reageren. Zelfbehoud is de mens ingeschapen. Zelfs de meest volmaakte en heilige menselijke wil is afkerig van het lijden en de dood. Terecht. Want die horen helemaal niet te bestaan. Ze zijn niet geboren uit de wil van God maar uit de eigenwijsheid en het egoïsme van de mens en de scheefgroei van de schepping. Ze zijn uiteindelijk niet natuurlijk. Ze wortelen niet in Gods aanwezigheid - dus in het echte, het goede en het schone. Ze komen voort uit het ontbreken daarvan. In gewone mensentaal: ‘de mens hangt aan het leven,’ en dat is maar goed ook. Toch zegt Christus ook dat alleen die mens het meest volmaakt bemint die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Er is, met andere woorden, een zelfloze wil die de menselijke wil tot zelfbehoud te boven gaat. Als Christus dus in de Hof van Olijven uiteindelijk breekt en zegt: ‘Niet mijn wil, maar jouw wil,’ is dat stiekem geen falen, maar winnen. Zijn wil wordt Hem niet uit handen geslagen. Hij geeft die, heel bewust en uiteindelijk vrijwillig, aan de Vader. Hij brengt zijn menselijke wil actief in harmonie met zijn goddelijke wil. Dat is de wil om ons uit het diepst van onze ellende te komen wegtrekken, ook als Hij daarvoor alles wat Hij is, van zijn waardigheid tot zijn bloed, tot de laatste druppel moet uitgieten. Hij is geen mens geworden om te oordelen, maar om te redden. En wel door niet alleen vlees te worden, maar helemaal solidair met ons tot in het putje van onze ellende te kruipen. Christus wordt niet zomaar een mens, Hij wordt de Mens. Hij kan dat omdat Hij van ons houdt. En beminnen doe je niet met je gevoelens, maar met je wil. Pilatus toont ons dat kort en goed. Hij laat Jezus door zijn soldaten helemaal aan gort slaan, met doornen kronen en een spotmantel omhangen. In die toestand zet hij Hem op het balkon voor een woedende menigte en zegt, simpelweg: ‘zie de mens.’ Daarmee laat hij ze in de beste spiegel kijken die er maar mogelijk is. In Jezus’ toegetakelde gezicht zien ze het gezicht van hun eigen sadistische wreedheid, maar zonder dat ze het in de gaten hebben staan ze tegelijk te kijken naar het gelaat van zijn door en door liefdevolle wil. Die dit alles wil omdat Hij hen bemint. Heeft Hij zich immers niet juist tot op dat vervloekte balkon gewaagd om hen uit deze hel op te komen halen? ‘Vergeef hen, Vader,’ zegt Hij dan ook, ‘want ze weten niet wat ze doen. Even terug naar de donkere tuin op de Olijfberg. Wat gebeurt daar nou eigenlijk echt? De sleutel tot het hele verhaal is, dat de naam ‘Jezus’ ‘God is Redding’ betekent. In de hof van Olijven biedt Hij, biddend in doodsangst, zichzelf aan als Offer, als Gave. Dat wordt nogal eens verkeerd begrepen. Hij offert zich niet aan een wrokkige semitische onweersgod die toevallig ook nog zijn Vader is, en die Hem sadistisch mishandelt en vermoordt omdat Hij daar een soort satanisch genoegen aan beleeft. Hij offert zichzelf als medicijn voor de wrok zelf. Zijn uitgegoten Wezen geneest de wezenloosheid zelf. Hij geeft zich, letterlijk met vereende krachten. Hij doet zichzelf het uiterste geweld aan. Hij dwingt ten eerste om alle aspecten van zijn ziel, van de laagste tot de hoogste, één te worden. De laagste, de emoties, verlangens en driften, ballen zich samen tot wat wij het ‘hart’ noemen. Dat is het dierlijke deel, het deel dat de natuur heeft gemaakt om zichzelf ten koste van alles in stand te houden. Het hangt aan het leven. Het verzet zich uit alle macht. Jezus smeekt het, dwingt het, temt het uiteindelijk. Zodra Hij het overmeesterd heeft, verenigt Hij het met de drie machten die zijn werkelijke zelf zijn. Als mens bestaat je eigenlijke wezen uit je grond, je bewustzijn en uiteindelijk je wil. Je wil, de kracht waarmee je liefhebt. En die wil geeft Hij weg aan de wil van de Vader. Dat is wat we zien gebeuren in die donkere tuin met die eenzame Verlosser. Goed. Tot zover Jezus in de hof van Olijven. Maar wat moet jíj daarmee? Want Jezus was stiekem God. Hij had, naast een menselijke, ook een goddelijke wil. Zoiets zou jij van jezelf niet durven beweren. Of wel soms? Nou, je kon jezelf nog wel eens verrassen. Aan het begin van het boek Genesis staat er, al vrij vooraan, dat God de mens schiep naar zijn Beeld en gelijkenis. En dat Beeld is diezelfde Christus waar we het net over hadden. Je bent dus wel niet Onze Lieve Heer zelf, maar je bent toch wel gemaakt om op Hem te lijken. Daar komt nog iets bij. We geloven dat het bestaan zelf een aspect van God is. Elk moment dat je bestaat, ontvang je dat bestaan dus uit God zelf. Bewustzijn is een ander aspect van God. Daar geldt dus hetzelfde voor. Elke milliseconde dat je wakker en aanwezig bent wordt je geschonken uit het Absolute. En je goede wil, de wil om gelukkig te zijn maar vooral ook gelukkig te maken, is nog weer een ander aspect van God. Dus ook die krijg je uit Hem. Je ziel ligt zo voortdurend tegen God aan en wordt door Hem aan jou gegeven. Maar wel ook écht gegeven. Om vrij over te beschikken. God neemt haar niet terug, al hoopt Hij wel dat je haar uit jezelf teruggeeft. Zodat jij en God zó innig met elkaar verenigd raken, dat je geen onderscheid meer merkt. Dat kan alleen als je doet wat je ten diepste wilt, en niet waar je zin in hebt. Dus niet doet waar je driften je toevallig naartoe drijven. En wat je ten diepste wil is precies die heimwee naar heilig zijn in een heilige wereld die ik daarstraks al even aanstipte. Beminnen en bemind worden. Dat klinkt allemaal zalig - en dat is het uiteindelijk ook - maar nu nog niet. Wat je moet leren is wat de mystieken gelatenheid noemen. Dat klinkt in moderne oren een beetje alsof je je kop moet laten hangen en onverschillig moet worden en met je moet laten sollen. Maar dat is het juist niet. Nogmaals: het is normaal en menselijk niet te willen lijden en sterven. Het is heel natuurlijk voor Jezus om te bidden: ‘neem dit van mij weg.’ Het is zijn lagere, natuurlijke menselijkheid die daar spreekt, en smeekt, en schreeuwt. Zijn emoties, zijn lichamelijke behoeften, zijn drift. Zelfs zijn platte, berekenende, gezonde verstand hoort daarbij. Zijn overgave als Hij dan even later zegt ‘niet mijn wil, maar Jouw wil,’ ontkent die menselijkheid niet. Hij neemt haar zelfs heel serieus. Maar Hij neemt haar wel mee naar waar zijn hogere zelf, zijn grond, zijn bewustzijn en zijn wil, naartoe willen. En dat is: de wil van God doen. Hij doet niet alsof Hij niks wil, maar legt wat Hij wil vrijwillig in de handen van de Vader. Juist als Hij breekt, welt er de totale vrijheid in Hem op. ‘Niet mijn wil, maar jouw Wil,’ fluistert Hij. En dan komt er een engel om Hem te troosten. Die ‘gelatenheid,’ zoals dat heet, is het helemaal rusten in je vertrouwen op God. En daar hoef je niet God zelf voor te wezen. Daar wachten ook op jou engelen om je te troosten. Ruusbroec, de grootste mystieke schrijver die we hebben, verwoordt het zo: “Jouw wil, niet mijn wil.” Toen Christus onze Heer zijn lijden naderde, zei Hij dat tegen zijn Vader in een nederig vernietigen van Zichzelf. En het was Hem het meest behaaglijke woord en het meest eervolle, en ons het meest heilzame, en de Vader het meest beminnelijke, en de duivel het meest ergerlijke woord dat Christus ooit sprak. Want door het wegschenken van zijn menselijke wil zijn wij gered.” Oefening. Goed, kunnen we dit ook zelf oefenen? Dat lijkt me heel goed mogelijk en ook niet zo ingewikkeld. Het hoeft ook niet onmiddellijk een doodsstrijd in de hof van Olijven te worden. Neem simpelweg eens een minuut of vijf om je een situatie voor de geest te halen van nog niet al te lang geleden. Een situatie waarin je ergens absoluut geen zin in had, maar het toch wilde. Niet om een verplichting van buitenaf, omdat een ander je dwingt of loopt te drammen. Nee, jij hebt er geen zin in maar jij wil het tegelijk toch. Er is bijvoorbeeld iemand in je omgeving die aandacht nodig heeft, maar heel eenzaam is en daardoor ratelt en enorm veel energie vraagt. Je hebt absoluut geen zin om die persoon te bellen, maar je doet het toch. Of krijg je jezelf gewoon niet zover? Er is dus een conflict tussen je lagere vermogens, die jouw eigen welzijn en zelfbehoud op de eerste plaats stellen, en je hogere wil die zichzelf weg wil schenken. Er wordt iemand op je werk of op school getreiterd. Dat gaat je aan het hart, maar als je ingrijpt maak je jezelf sociaal kwetsbaar. Je hebt absoluut geen zin om het conflict aan te gaan, maar als je eerlijk kijkt naar wat je eigenlijk écht wilt kom je erbij uit dat je het waarschijnlijk toch moet doen. Precies hetzelfde. Goed, verplaats je nu even grondig terug in de herinnering aan de situatie die je hiervoor hebt uitgekozen. Niet een van mijn voorbeelden, maar een innerlijk conflict dat je zelf hebt meegemaakt. Je had er geen zin in, maar je wilde het toch. Haal het je helemaal voor de geest en leg het nu langs het schema dat ik je nu ga beschrijven. Dat wat in jou je eerste afkeer veroorzaakt van wat je eigenlijk moet doen, en eigenlijk ook wilt doen, zijn je emoties. Dat zijn roerselen in je gemoed die worden geroerd door je lagere vermogens. Dat zijn je begeerte, je ratio en je drift. Je ratio is, even voor de duidelijkheid, niet je echte intellect, maar meer je berekenende boerenslimheid. Die drie zijn totaal dierlijk en uit zichzelf alleen geïnteresseerd in het handhaven, voortplanten en welbehagen van jou als lichamelijk wezen. Ze zijn wel tot meer in staat, maar niet uit zichzelf. En nu, in deze situatie werken ze je tegen. Ze stuwen je naar zelfzuchtig gedrag dat je in deze situatie misselijk vindt. Je wil wat anders. Gelukkig ben je niet willoos aan je emoties en je lagere vermogens overgeleverd. Want je hebt ook nog drie hogere vermogens. Je geheugen, je verstand en je wil. En heel dat lagere spul dat je nu zo’n overlast bezorgt hangt in feite aan die hogere vermogens. Stel het je maar voor als een soort marionettentheater met drie verdiepingen. Je emoties hangen aan je lagere krachten, begeerte, ratio en drift. Die hangen weer aan je hogere krachten: geheugen, verstand en wil. Wat je nu gaat doen is die touwtjes aantrekken en het hele theater samenballen in je hogere krachten. Eerst trek je je emoties aan zodat je goed beseft dat ze samenvallen met je dierlijke krachten. Ze lijken wel heel belangrijk en wereldschokkend, maar het zijn gewoon de impulsen van je zelfbehoud. Het zijn de prikkels waarmee je lagere krachten je aanzetten tot vechten, vluchten, vreten, zuipen, neuken. Goed. Nu je ziet hoe het werkt is het misschien een ietsje makkelijker ze gewoon eventjes te laten razen zonder dat je je door ze mee laat sleuren. Misschien ook wel niet onmiddellijk. Het vergt oefening en geduld, zoals alles in dit leven. Wat je nu gaat doen is dat hele kolkende en razende soepje van die emoties en die lagere krachten binnentrekken in je hogere vermogens. De begeerte met al het lekkers waar het naartoe stuwt trek je in het geheugen. De ratio met al zijn dubbele agenda’s in het intellect. De drift met zijn agressie en achterdocht in de wil. Nou wil het dat die drie hogere krachten op de Personen van de goddelijke Drievuldigheid lijken. Je geheugen op de Vader, je intellect op de Zoon en je wil op de Heilige Geest. Je bent immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Je bent dus drie, net als Hij. Maar je bent ook één, net als Hij. Het stiekeme geheimpje van het leven is dat je in het diepste gaatje van je ziel voortdurend door Gods scheppende plezier aan jezelf geschonken wordt. Zodra je nu heel dat poppentheater in jezelf hebt opgehesen en samengebald blijft eigenlijk alleen je wil over. Niet toevallig is dat ook de kracht waarmee je liefhebt. Mocht het je nou lukken die wil vol vertrouwen in de handen van de goede God te laten, dan ben je in een warm nestje gevallen waar je getroost wordt door engelen. This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • March 26 · 6 min

    Het hart van het Jaar

    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

  • March 21 · 17 min

    De Sluier in de Duisternis

    Wat is dit in godsnaam? Vanaf de vijfde zondag van de vasten verandert de kerk van een sacrale santenkraam in een godgewijd spookhuis. Een paarse grauwsluier breidt zich als een schimmel uit over alle kruizen en heiligen. God verliest zijn gezicht. Waarom bedekken wij de laatste twee weken de beelden in de kerk met paarse doeken? Ik leg het je uit in deze video. Aan het einde zal ik ook nog een concrete oefening meegeven die ermee te maken heeft, en die je kunt opnemen in je gebedsmoment of meditatie. (intro) Waarom sluieren wij de beelden? Wij hebben dit gebruik al sinds de vroege middeleeuwen, maar niet veel mensen begrijpen het echt goed. Dat het bedoeld is om de feestelijkheid te dempen en zo ruimte te scheppen voor rouw en boete is wel duidelijk. Maar waarom bedekken we dan zelfs de kruizen? Juist in de weken dat wij ons intensief met Jezus’ lijden proberen te verenigen verbergen wij de afbeeldingen die ons daar het meest aan doen denken. Niet alleen alles wat blij en feestelijk maakt verdwijnt, maar ook alles wat je op het eerste gezicht juist zou kunnen helpen het lijden van Jezus te beleven. Waarom? Het antwoord zal sommigen van jullie wel verbazen. Omdat sommige dingen nou eenmaal pas echt zichtbaar worden als je ze verbergt. Juist het meest wezenlijke valt nogal eens pas op als je het wegneemt. Er een doekje over gooit. Zo leer je jezelf om op een andere manier te gaan kijken en luisteren. Het is niet zo vreemd als het lijkt: denk bijvoorbeeld maar eens aan hele constante, bescheiden geluiden. Het lage brommen van een koelkast of het zachte blazen van een ventilator. Die hoor je eigenlijk pas als ze plotseling wegvallen. Ze vallen pas op als je ze uitzet. Wat stil is het dan ineens! Net zoiets is er aan de hand met de voortdurende, dragende aanwezigheid van God in zijn heiligdommen. Om die eventjes écht op te merken schakelen we de meest zichtbare tekens ervan even uit. Als je echt wil snappen waar de Kerk in deze tijd mee bezig is zul je moeten luisteren naar de stem van de grote mystieken. Meer dan wie ook hebben juist zij zich geoefend in het laten zien van het onzienlijke en het onthullen van het verborgene. Het beste beginnen we dan in dit geval bij een geheimzinnige figuur uit ongeveer de vijfde eeuw. Eigenlijk was hij een bedrieger, want hij gaf zich uit voor een figurant uit de Bijbel, Dionysius de Areopagiet, waarschijnlijk om zijn geschriften meer gezag te verlenen. De vraag is of dat nou nodig was, want de inhoud van de geschriften die we nog van hem hebben is ontzagwekkend en volledig serieus te nemen. Dat weten we omdat ze in ons eigen leven direct ervaarbaar zijn. We kunnen het helemaal zelf controleren. We kunnen er in feite zelfs helemaal niet omheen. Iedereen met een serieus innerlijk leven loopt te worstelen met het verwoorden en zelfs maar onthouden van wat hij beleeft als hij God benadert. Het is alsof een soort statische ruis die tegelijk bliksemend en pikdonker is zowel je geheugen als je taalgevoel in de war stuurt. Dionysius beschrijft het als volgt: “Drievoudigheid, leid ons langs de rechte weg naar de hoogste top van de mystieke woorden. Boven het onkenbare en boven het licht waar de enkelvoudige, van niets afhankelijke en onveranderlijke mysteriën van het goddelijke Woord in gehuld gaan. In de verblindende duisternis van het zwijgen dat in mysteriën verborgen is. Waar zij in het diepste duister het meest meer dan stralend en meer lichtend zijn. En waar zij in het volstrekt ontastbare en onzichtbare de ogenloze denkkrachten doen overvloeien van overschone lichtglans.” Dat zijn een hoop paradoxen op een hoop. Verblindende duisternis, stralend en lichtend diepste duister enzovoort. Toch brengen die evengoed een glasheldere boodschap over: om God te kunnen ontmoeten, om daar überhaupt ruimte voor te scheppen, zul je je normale manier van waarnemen en vooral ook inschatten en oordelen en streven moeten opschorten. De wilde - maar ook heel knappe - Duitse mysticus Eckhart verwoordt het zo: wie ruimte wil maken voor God moet niks willen, niks weten en niks hebben. Misschien ken je het wel: plotseling is er zo’n geheiligd moment dat het bidden niet alleen werkelijk lukt, maar dat je ook erváárt dat het lukt. Moeiteloos ben je je bewust van de tegenwoordigheid van God, en daarin ben je met Hem samen. Je koestert je in de troost van zijn aanwezigheid. Maar dan begint je wil zich te bewegen. Een beetje zoals een kat die niet op schoot wil blijven liggen omdat hij plotseling iets heeft gehoord of heeft geroken. “Ik wil...” komt er in je op. “ik wil...” en onmiddellijk valt je bewustzijn uit de ervaring van de tegenwoordigheid van God. Het gaat er niet om of je wil goed of verkeerd was. Het maakt niet uit of je wil goed was of niet. Of je nou net zat te willen te willen wat God wil, of zat te willen meer op Jezus te lijken of zat te willen meer vervuld te worden van de Heilige Geest. Het bewegen van je wil alleen was genoeg om je plotseling weer alleen te voelen. Je wil, hoe goed ook, is een middel geworden tussen jou en God, iets wat tussen jullie in zit. Nog sterker geldt dat voor weten. Stel je voor: je ligt te badderen in Gods licht en denkt onwillekeurig: ‘wat heerlijk!’ Boem! Ineens lijkt het wel alsof het licht van God zelf zijn glans heeft verloren. Het heeft, zonder dat je het in de gaten had, ergens onderweg de gedaante van een grijze regendag aangenomen. Dat komt omdat je het hebt zitten weten. Je hebt je een oordeel gevormd en in plaats van het licht van God zelf word je nu door het licht van je oordeel beschenen. En dat is een héél ander verhaal. Het maakt niet uit dat je oordeel helemaal positief was. Het is een middel, een beeld geworden tussen jou en God, iets wat bemiddelt. Het maakt de relatie tussen jullie twee onrechtstreeks. Hebben is een nog radicalere werkelijkheid. Alles wat je hebt is niet God en neemt ruimte in beslag die God niet kan opvullen. Eckhart is heel radicaal in dit opzicht: Zelfs als je juist alleen nog ruimte hebt voor God heb je nog te veel. Het ideaal is zelfs geen ruimte meer te hebben, ook al is het dan voor God. Laat Hem in jou maar in zijn eigen ruimte werken. Laat Hem in jou in Zichzelf werken. Dit klinkt bijna flauw, maar als je even kijkt naar hoe Eckhart zijn betoog opbouwt snap je wel waarom hij zelfs die stap nog nodig vindt. Onwillekeurig zijn er, hoe abstract hij ook te werk is gegaan, toch weer beelden ontstaan. Beelden van jou als poppetje, of als ziel - waar je je dan ook weer een beeld van vormt - waarin dan weer het beeld van een ruimte verschijnt. En die beelden zitten in de weg. Wie God wil vinden moet zich hulpeloos in Hem durven verliezen. Het is uiteindelijk een kwestie van vertrouwen. Laatst zat ik in een praatprogramma en op een gegeven moment ging het over het verschil tussen de authentieke, klassieke manier om de Mis op te dragen en de liturgie die tegenwoordig meestal wordt gebruikt. Die is opgesteld door een commissie in de jaren zestig. Dat onderwerp ligt nogal gevoelig, en ik ging misschien een beetje over de schreef. De presentator vroeg mij waarmee ik dat nieuwe ritueel zou willen vergelijken, en spontaan zei ik: ‘Duplo.’ Daarmee wekte ik natuurlijk onbedoeld de indruk dat ik de moderne Mis maar een kleuterspelletje vond, wat echt wel horkerig zou zijn geweest. Veel mensen houden er immers oprecht van, vooral ouderen. Ik bedoelde natuurlijk dat de moderne Mis uit blokken bestaat waaruit je kunt kiezen en die op allerlei manieren op elkaar passen. ‘En waar zou je de oude Mis dan mee vergelijken?’ zei de presentator op licht kritische toon. ‘Een bos,’ zei ik onmiddellijk. ‘Ah,’ zei hij. ‘Maar in een bos kan je ook verdwalen.’ Ik had daar achteraf anders op hebben willen reageren. Wat ik zei was weliswaar niet verkeerd of onoprecht, maar er lag een heel verhelderende waarheid voor het oprapen die ik op dat moment gewoon even miste. Ik had moeten zeggen: ‘inderdaad, kun je in een bos verdwalen, en zo hoort het ook.’ God is niet ongevaarlijk. God is niet zonder risico. Als je je aan God toevertrouwt neem je op de koop toe dat je je ook aan Hem zou kunnen verwonden. Je zou zelfs aan Hem kunnen sterven. Je vertrouwt erop dat dat niet zal gebeuren omdat je Hem vertrouwt, maar garanties zijn er niet. In ieder geval zal je in Hem moeten verdwalen. Wie wil groeien in God kan dat niet door zelf de touwtjes in handen te houden. Zelf zijn koers te bepalen en zijn eigen oriëntatie te volgen. Volwassen worden in dit opzicht betekent vreemd genoeg steeds onzelfstandiger worden. Denk maar aan wat Jezus tegen de heilige Petrus zegt in het Johannesevangelie: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: toen je jong was, deed je zelf je gordel om en ging waarheen je wilde, maar als je oud bent, zul je je handen uitstrekken, een ander zal je omgorden en je brengen waarheen je niet wilt.’ Toegepast op ons betekent dat inderdaad, met Eckhart, niks willen, niks weten, niks hebben. Het Evangelie voegt er nog aan toe dat Jezus met deze woorden doelde op de dood waarmee Petrus God zou verheerlijken. Niet zomaar de dood die hij zou sterven, nee: de dood waarmee hij God zou verheerlijken. Zelfs dat kunnen we toepassen op wat er van onze ziel wordt gevraagd als wij God willen ontmoeten. Weliswaar geloven wij christenen niet dat wij in God oplossen of vernietigd worden. In die zin moet je ‘dood’ hier figuurlijk lezen, niet letterlijk. Maar dan kun je verder toch wel zeggen dat, als wij zo met God in harmonie beginnen te klinken dat er tussen Hem en ons geen onderscheid meer te ervaren valt, je dat toch wel een vorm van sterven kunt noemen. ‘Om Hem te verheerlijken,’ schrijft Johannes. Dat is een ander woord voor beminnen, in dit geval. God beminnen met heel je hart, je verstand en al je krachten. Maar in Hem durven te verdwalen is wel het minste wat wij kunnen doen. Jan van Ruusbroec, de grootste mystieke schrijver aller tijden, verwoordt het als volgt: “Hij moet zichzelf verloren hebben in een onmiddellijkheid en in een duisternis waarin alle schouwende mensen genietend verdwaald zijn. Zo dat hij zichzelf als schepsel nooit meer zou kunnen terugvinden. In de afgrond van die duisternissen, waarin de minnende ziel aan zichzelf gestorven is, daar begint de openbaring van God en het eeuwige leven. In die duisternissen schijnt en wordt geboren een onbegrijpelijk licht dat maakt dat je het eeuwig leven kunt zien. Dat licht is de Zoon van God.” En daarom versluieren wij in de laatste twee weken voor Pasen, het scharnier van de tijd, onze beelden. Niet zien. Niet weten. Niet hebben. Goed. Kunnen we dat zelf ook oefenen? Dat denk ik absoluut, en ook nog eens op een hele simpele manier. Begin in de laatste twee weken voor Pasen eens wat tijd vrij te maken om God simpelweg te laten zijn wie Hij is. Dat hoeft niet gelijk een uur te zijn: vijf of tien minuten is ook al wat. Neem in dat moment zoveel mogelijk afstand van je vertrouwde beeld van God. Ga niet voor een icoon of een kruisbeeld zitten. Gebruik niet de vertrouwde gebeden. Geen rozenkrans, geen Onze Vader, geen eer aan de Vader en geen Heilige Michaël verdedig ons in de strijd. Niks van dat alles. En ook niks anders, trouwens. Blijf gewoon in de leegte zitten wachten. Wat er nu waarschijnlijk zal gaan gebeuren is dat er een zwerm van beelden in je opkomt. Misschien van God, misschien ook wel gewoon van je dagelijkse leven, de taken die op je liggen te wachten, herinneringen die je misschien hebt. Duw die niet met geweld weg, maar houd ze ook niet vast. Ga er niet binnen. Keer je in plaats daarvan terug naar de leegte. Als je dat echt heel moeilijk vindt zou je kunnen overwegen eens actief te luisteren naar de stilte die op de achtergrond van waar je bent altijd wel ergens klinkt. Als het goed is zou je in de eerste tijd dat je dit zo doet een gemis moeten voelen. De grap is nu dat die pijnlijke afwezigheid stiekem helemaal niet de leegte is, maar je eigen gehechtheid aan de beelden die je nu aan het loslaten bent. Als je dit wat langer volhoudt is er een grote kans dat je de leegte die je voelt op een gegeven moment gaat ervaren als ruimte. Ruimte waarin van alles mogelijk is. Ruimte waarin je zalig zou kunnen verdwalen... Een bijkomend voordeel is dat het goed zou kunnen dat als met Pasen de beelden weer worden onthuld, ze voor jou zullen aanvoelen als nieuw en opnieuw inspirerend op een andere manier. Zo kan het afwisselen van verbeelding en ontbeelding een echte motor worden voor zowel je creativiteit als je spirituele leven. Ok, genoeg geleuterd. Ga en leef! This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

Showing 1–20 of 21 episodes